De stadswijk Stadscentrum - de ruimtelijke opzet

De stadswijk Stadscentrum ligt zeer centraal in de gemeente, als een spin in haar web. Dat is geen toeval. Vanaf de eerste ontwerpen voor het moderne Zoetermeer stond vast dat hier, net boven het oude dorp, het stadscentrum, de moderne 'binnenstad' van Zoetermeer zou gaan verrijzen. Het stadscentrum is, geheel naar Zoetermeerse traditie, vormgegeven als een apart gebied, een eiland, gescheiden van de omringende stadswijken door hoofdwegen, groen en water: aan de noord- en westzijde door de Europaweg en Afrikaweg, in het oosten de Leidsewallenwetering en in het zuiden de Grote Dobbe en de Van Leeuwenhoeklaan. De naam voor deze stadswijk is enigszins misleidend, omdat het gebied uit zes deelgebieden bestaat waarvan er slechts één, het Stadshart, een stadscentrumfunctie heeft. In de Franse en Engelse buurt, respectievelijk ten oosten en westen van de Grote Dobbe, wordt slechts gewoond en dat geldt ook voor de Griekse (oostelijk van Stadshart) en Ierse buurt (tussen de Van Leeuwenhoeklaan, J.L. van Rijweg en Voorweg). Ook de kantorenstrook tussen de Ierse buurt en Afrikaweg behoort tot de stadswijk Stadscentrum, al ligt deze hiervan wat afgezonderd.

De doorsnede van het Stadshart in noord-zuid richting.

1. Europaweg en Tunnelbak
2. Stadstuin
3. Stadshart Passage
4. De 'onderwereld' met de Amsterdamstraat en Zoetermeerlijn op maaiveldniveau
5. Stadhuis
6. Markt op verhoogd grondpakket
7. Grote Dobbe
8. Dorpskern

Zwart: oorspronkelijke maaiveldniveau
Geel: zandophoging
Roze: veenpakket

Het stadscentrum als geheel

De verkeersstructuur is, zoals in alle Zoetermeerse stadswijken, het fundament voor de ruimtelijke opzet. Het gebied is op 'maximale bereikbaarheid' ontworpen. Het ligt precies op de plek waar de verschillende stadswijken bij elkaar komen, aan de Europaweg, de centrale as van het hoofdwegenstelsel van de stad (de zogenaamde H-structuur). Ook het openbaar voervoersysteem is gericht op een zo optimaal mogelijke ontsluiting van het stadscentrum. De Sprinter heeft hier twee stations op kleine afstand van elkaar: Centrum West en Stadhuis. Het busstation, het vertrek- en eindpunt voor stads- en streekbussen is gekoppeld aan station Centrum West, recht tegenover de westelijke ingang van het Stadshart. Vergeleken met andere binnensteden is het gemak waarmee men tot het Stadshart door kan dringen bijna een ervaring uit een vergangen tijdperk. De verbinding met de snelweg is kort en zonder opstoppingen, er zijn ruime parkeergelegenheden en trein en bus zijn overal dichtbij. Toch heeft de verkeersstructuur voor een buitenstaander een 'Januskop'. Hoe snel het stadscentrum ook is te bereiken, eenmaal daar kan men er met de auto slechts binnenrijden via de Europaboulevard en de J.L. van Rijweg. Vanaf de zuid- en oostkant is het een onneembare vesting, een gegeven dat menig onbevangen automobilist in zijn wanhoop aan een ontwerpfout zal hebben toegeschreven. Dat is niet zo. De keuze om het oude dorp en het nieuwe stadscentrum als twee gescheiden werelden te behandelen en de verbindingen tussen het stadscentrum en de omringende stadswijken vooral door middel van loop- en fietsroutes te leggen is met opzet gemaakt. De oude Dorpsstraat, zo was de gedachte, zou zijn authentieke karakter slechts kunnen behouden als het in bescherming werd genomen tegen de grootschalige en 'rauwe activiteiten die nu eenmaal eigen zijn aan het stadscentrum van een grote stad. De barrières bevinden zich niet alleen aan de randen, maar ook in de stadswijk. De Zoetermeerlijn deelt het gebied onverbiddelijk in tweeën en na de splitsing van de Zoetermeerlijn ten oosten van station Centrum West zelfs in drieën. Fietsers en voetgangers kunnen de spoorlijnen slechts op enkele punten passeren. Het stadhuiscomplex speelt hierbij een cruciale rol. Het ligt pal naast het station Stadhuis, in het geografische midden van de stadswijk, op een punt waar het Stadshart de Franse en Engelse buurt en de wandel- en fietsverbindingen tussen Stadshart en Dorpsstraat samenkomen. Het is de poort tussen de stadswijken ten noorden en die ten zuiden van de Zoetermeerlijn. De stadhuistoren, geplaatst op de zichtas tussen de Markt, de Grote Dobbe en de beide kerktorens van het oude dorp symboliseert dit.

Het Stadshart

De binnenstad van Zoetermeer, het Stadshart, werd tijdens de bouw door toenmalig wethouder E. Jenné niet zonder reden 'uniek in Europ' genoemd. Hij doelde waarschijnlijk niet zozeer op het late tijdstip van de bouw, (Zoetermeer was al ver uitgegroeid toen de eerste paal van het Stadshart nog de grond in moest) als wel op de technische oplossingen en de ruimtelijke opbouw, die inderdaad uitzonderlijk en bovendien uiterst consequent uitgevoerd zijn. 'Zeg mij maar eens waar je in Nederland een stadhuisplein kan vinden dat zes meter boven het maaiveld ligt', vroeg Schut, projectleider van het binnenstadsteam uitdagend aan een verslaggever. De verhoogde ligging van het Stadshart is zonder meer enig in zijn soort. Het geheel is gebouwd op grote betonnen platen op pijlers, met uitzondering van het westelijke punt, die is opgehoogd met een grondpakket. Vanaf de westelijke entree van het Stadshart, bij de KonMar en het politiebureau, loopt de 'vloer' van het winkelgedeelte van het Stadshart geleidelijk aan omhoog tot zes meter boven het maaiveld ter plaatse van het Stadhuisplein. Het winkelend publiek hoeft zodoende nergens bewust de Zoetermeerlijn over te steken en komt ook niet oog in oog met bestemmings- en bevoorradingsverkeer. Auto's worden onder het winkelcentrum doorgevoerd, zoals bij het Onderlangs en de Amsterdamstraat, naar de parkeergarages en laad- en losplaatsen. Dit systeem van strikt gescheiden verkeerssoorten, waarbij voetgangers en fietsers het alleenrecht hebben in het verhoogde winkelgedeelte van het Stadshart, is zeer doelmatig en publieksvriendelijk, maar verklaart deels ook waarom de buitenkant van het Stadshart een weinig uitnodigende en hier en daar zelfs ongenaakbare indruk maakt. Auto's worden aan de randen van het gebied gestald. De vele overdekte parkeervoorzieningen vormen, samen met de eveneens overdekte bedieningswegen, de donkere 'onderwereld' van het Stadshart, die zich aan de randen onverbloemd aan de buitenwereld toont, zoals te zien is vanaf het viaduct van het Bovenlangs, langs de Luxemburglaan en aan het Theaterplein.

'Nu nog grazen, straks winkelen', zo luidde het bijschrift bij deze foto uit het zogenaamde Groene Boekje (1972). Het zou echter nog zo'n vijftien jaar duren voordat dat kon.

De 'bovenstad'

De 'benedenstad' is zakelijk en niet voor ruimtelijke beleving ontworpen, wat in schril contrast staat tot de doorwrochte wereld van het Stadshart, de 'bovenstad', die men via trappen en paden kan betreden. 'Dit wordt een warm en kloppend hart. Het is net de Kalverstraat. Wat een sfeertje! En nu is het nog niet eens klaar. Een splinternieuw stadscentrum, maar eigenlijk is het zo oud als de weg naar Rome'. Het 'zo oud als de weg naar Rome' van de heer Verploegen, voorzitter van de winkeliersvereniging van het Stadshart, slaat op de belangrijkste uitgangspunten van het ontwerp voor de 'bovenstad'. Een echt stadscentrum is geen winkelcentrum, maar een binnenstad, zoals we die kennen van oude Europese steden. Zo'n plek is de publieke huiskamer van alle stedelingen, waar het levendig en gezellig is, waar men vaker komt en langer verblijft dan strikt nodig is. Een binnenstad heeft een sterke concentratie van alle facetten van de samenleving en is divers van karakter. 'Een stadscentrum voor alle stadswijken moet er voor zorgen dat de stadswijkbewoners geen dorpelingen zijn, maar echte stedelingen van Zoetermeer'. Dat betekende voor het Stadshart dat er op een oppervlak van ternauwernood 35 hectare zowel winkels, als horeca, warenhuizen, kantoren, bioscoop, een theater, sportvoorzieningen, maar ook woningen dienden te komen. Er moest bijzonder compact worden gebouwd, maar wel in laag- of middelhoogbouw. Slechts op enkele plekken mocht hoogbouw verrijzen. Alle belangrijke stedenbouwkundige keuzes zijn op vergelijkbare wijze terug te voeren op het streven Zoetermeer een 'echte' binnenstad te geven met historische karakteristieken, die hun waarde in de loop der eeuwen hebben bewezen. Dat is ook de reden dat er in het Stadshart door en boven elkaar wordt gewoond, gewerkt en gerecreëerd en dat de straten niet werden overdekt, zoals in andere steden met een nieuw stadscentrum vaak wel gebeurde. Een geknikt stratenverloop, onderbroken door intieme pleintjes op geregelde afstanden herkenbare oriëntatiepunten, zoals een karakteristiek gebouw of een boom, een 'natuurlijke' afwisseling van drukke en stille plekken. Het Stadshart behoorde een organisch gegroeid karakter te krijgen, waardoor het ook in de toekomst zou kunnen doorgroeien en veranderen. Belangrijke zaken als het stratenverloop, de plek van de verschillende functies en belangrijke gebouwen als het stadhuis en het theater, de 'harde structuur', vergelijkbaar met de nerven van een blad, volgens een gemeentelijke voorlichtingsbrochure, liggen vast. Tussen de 'nerven' bevindt zich de zachtere structuur (de cellen, het bladmoes), die in de loop van de tijd kan worden opgevuld en veranderd. Zo kan de recent gebouwde winkelgalerij aan de Warande gezien worden als een voorbeeld van organische 'doorgroei' van het Stadshart.

Net als in historische binnensteden zijn de straten van het Stadshart druk en smal. De Promenade is tien meter breed, nauwelijks breder dan de Dorpsstraat. De gebouwen staan direct tegen elkaar aan en vormen zo gesloten en intieme straten. Het gevelbeeld is afwisselend, als gevolg van het geknikte verloop en de keuze om de straatwanden op te knippen in verschillende kleinere bouweenheden. Om in een niet overdekt winkelcentrum toch droog te lopen zijn arcades toegevoegd, die op uitgekiende punten van de ene kant van de straat naar de andere springen. In smalle straten als deze zouden arcades een gevoel van extra ruimte kunnen opleveren, maar dat is hier nauwelijks het geval. Zij zijn vaak nogal laag, waardoor het hier en daar benauwd wordt en de begane grondlaag over grote lengte een duistere aanblik krijgt. De enige plek in het Stadshart waar het echt ruim aanvoelt is (afgezien van de Markt) de Stadstuin. Dit park is ontworpen als een stiltegebied, waar de bezoeker van het winkelcentrum na alle hectiek en krapte van de 'druktegebieden' weer rustig kan ademhalen. De Stadstuin ligt precies op de grens van de 'boven-' met de 'benedenstad', waardoor het niveauverschil zes meter bedraagt. De ontwerpers hebben niet volstaan met het zomaar kopiëren van de kenmerken van een historische binnenstad. Ingewikkelde berekeningsmethoden en uiterst wetenschappelijke plannings- en ontwerpmodellen hebben de wording van het Stadshart stap-voor-stap voorbereid. De precieze plaats, grootte en onderlinge verhoudingen van de functies en voorzieningen zijn bepaald met behulp van complexe relatieschema's en grafieken. De mate van diversiteit van de deelgebiedjes werd zorgvuldig berekend en er werd een drukte-index gebruikt waarmee drukte- en stiltegebieden konden worden bepaald. Maar het meest opmerkelijke is toch wel dat 'ruimtelijke beleving', bij ontwerpers van vandaag toch vooral als iets subjectiefs gezien, werd beschouwd als een gewone functie, die net als andere functies als wonen of werken met wetenschappelijke methoden kan worden begrepen. Aan het Stadshart heeft een zogenaamd Stadsbeeldplan ten grondslag gelegen, volledig gebaseerd op de onderzoekers Kevin Lynch en Christopher Alexander, waarvan de principes, omdat zij zo consequent zijn uitgewerkt, goed in het stadsbeeld zijn terug te vinden.

Er zijn 56 'patronen' voor het Stadshart uitgewerkt, waaronder het 'routesysteem' (de belangrijkste), de 'karakteristieke situaties', de 'drukte- en stiltegebieden', de 'arcades', de 'aansluitende gebouwen' en de 'individuele eenheden'. Over het 'routesysteem' zegt het Stadsbeeldplan: 'Het netwerk van het routesysteem als geheel moet een stelsel van concequent aanwezige hoofdrichtingen kennen. Deze richtingen doen als het ware dienst als een coördinatiestelsel bij de oriëntatie op grote schaal'. In het Stadshart is er één hoofdrichting, die gevormd wordt door de vijfhonderd meter lange Promenade. Verder dient een routesysteem 'met oriëntatiepunten gemarkeerd te zijn en vele herkenbare plaatsen ('Karakteristieke Situaties') moeten in het routesysteem als knooppunten zijn opgenomen', een en ander naar de aanbevelingen van Lynch. Van deze 'Karakteristieke Situaties', van belang voor de oriëntatie en het gevoel voor identiteit van een plek, zijn er in het Stadshart vijf te vinden: het Stadhuisplein, Driekant, Promenadeplein, Burgemeester Wegstapelplein en Plaats. Het zijn plekken waar men routekeuzen kan maken, reden waarom de bebouwing rondom de pleintjes niet overal gelijkvormig is, maar van elkaar verschilt. Het Stadhuisplein, heel 'karakteristiek' aan het begin (of einde) van de Promenade, dat de kern is van het Stadshart. 'Delft heeft zijn Grote Markt, Maastricht 't Vrijthof en zo krijgt Zoetermeer een stadscentrumpunt dat voor iedereen een duidelijk herkenbare plek van de binnenstad zal moeten zijn', zo meldde de gemeentelijke informatiekrant gedurfd. 'Een stadhuis en een plein zijn onmiskenbare ingrediënten'. Rondom het hoofdplein liggen drie andere pleinen, de Markt, het Theaterplein en Driekant, die in nauwe verbinding met elkaar staan, zoals dat ook in oude steden vaak terug te vinden is. Het Theaterplein is hiervan het minst geslaagd, als gevolg van de excentrische ligging en de gebrekkige 'pleinuitstraling'. De Markt is wel geslaagd, als markt en als monumentaal uitkijkpunt ('Uitkijkpunt' is eveneens één van de 56 patronen), maar ontbreken de publieksfuncties helaas in de begane grondlaag van de appartementsgebouwen die de Markt begrenzen.

De woonbuurten

Aan de opzet van de woonbuurten rondom het Stadshart hebben noch 'patronen', noch beelden van historische binnensteden ten grondslag gelegen, maar eerder de eigenschappen van de plek. Zo staan aan de Londenstraat flats met ruime balkons die uitkijken op de Grote Dobbe en het oude dorp. De opstelling van de gebouwen begeleidt de ronding van het eiland in het Dobbepark en sluit de plas en het park aan deze zijde fraai af, waardoor het decor van het oude dorp aan de overzijde beter tot zijn recht komt. Aan de oostkant van de Grote Dobbe, aan het Marseillepad, reageren de woningen veel minder op de specifieke situatie. Zij zijn nauwelijks betrokken op het water, een gevolg van de brede promenade met fietsroute die het dorp met het Stadshart verbindt.

Bron: Gemeente Zoetermeer, De Gave Stad

De ontwikkeling
in de stadswijk Stadscentrum
De historische infrastructuur
in de stadswijk Stadscentrum
De ruimtelijke opzet
in de stadswijk Stadscentrum
Het groen en water
in de stadswijk Stadscentrum
 
De architectuur
in de stadswijk Stadscentrum
De recente ontwikkelingen
in de stadswijk Stadscentrum
De bijzondere kwaliteiten
van de stadswijk Stadscentrum