De stadswijk Seghwaert - de ruimtelijke opzetNet als de andere vier stadswijken die nog onder het regime van het Structuurplan 1968 zijn gebouwd, vormt de stadswijk Seghwaert een op zichzelf staand gebied dat behalve aan de noordzijde aan alle kanten duidelijk is afgeschermd en begrensd. De groenstroken scheiden de stadswijk van de Australiëweg en de Aziëweg en men kan de stadswijk vanaf deze hoofdroutes slechts op enkele punten binnenrijden. Een zorgvuldig overdachte routing voor het autoverkeer, met zoveel mogelijk ruimte voor het openbaar vervoer, fietsers en voetgangers, is dan ook een belangrijke grondslag geweest voor de opzet van de stadswijk Seghwaert. De Zoetermeer Stadslijn, die op een talud met een grote lus door de stadswijk wordt gevoerd, heeft hier twee stations, die elk gekoppeld zijn aan een winkelcentrum: de Petuniatuin en Leidsewallen. De meeste woningen zijn binnen een straal van 600 meter van een station/winkelcentrum gebouwd (vandaar de parken aan de randen van de stadswijk) om het openbaar vervoer te stimuleren en de loopafstanden naar de winkels te bekorten. Het buurtwegenstelsel is zo ontworpen dat de stadswijk zo min mogelijk last heeft van auto's. Het heeft de vorm van een 'halfrooster', zoals dat in het jargon heet. Dat betekent dat het doorgaande autoverkeer slechts op enkele plekken de stadswijk wordt binnengelaten om vervolgens zo gelijkmatig mogelijk over het hoofdnet, gevormd door de lusvormige dreven, langs de buurten te worden geleid. Binnen dat hoofdnet (of '2e niveauwegen' in de oorspronkelijke terminologie) liggen de verkeersluwe buurten, waar het autoverkeer via de woonstraten naar de woonerven wordt geleid. De dreven zijn zo opgezet dat de eigen buurt zo snel mogelijk kan worden bereikt (dat scheelt autokilometers), zonder dat men overal kan doorsteken, zoals in een rooster (dan zou de auto 'overal' aanwezig zijn). Het is een tussenoplossing, die zich halverwege een rooster en een 'boomstructuur' bevindt. De stadswijken Meerzicht en Buytenwegh de Leyens heb ben zo'n boomstructuur, die bestaat uit een of twee brede hoofdaders (de stammen), waarvandaan zich 'takken' afsplitsen en nog eens afsplitsen in een opklimmende mate van verkeersluwheid, om uiteindelijk dood te lopen. Door de toepassing van het halfrooster krijgen de afzonderlijke dreven minder verkeer te verwerken en hebben zij een smaller profiel. Zij vormen daarom ook nauwelijks barrières in de stadswijk voor voetgangers en fietsers. Er is zelfs geprobeerd alle verkeerssoorten weer bijelkaar te brengen in reactie op de strikte scheiding van auto-, fiets- en voetgangersverkeer in de hoogbouwstadswijken van Zoetermeer. Dit is niet helemaal gelukt, omdat juist de halfroosterstructuur, waar men slechts links- of rechtsaf kan slaan en nooit rechtdoor kan rijden (T-kruisingen) niet geschikt is voor voetgangers. Deze willen graag via de kortste route lopen. De wandelpaden (en soms ook fietsroutes) zijn dan ook dwars op de dreven gelegd. Wandelaars gaan niet langs het autoverkeer, maar kunnen juist binnendoor, langs woonerven, buurt- en stadswijkgroen van huis naar school of winkelcentrum gaan. Deze routes voeren vaak door woonblokken heen, via poorten, die vrij kenmerkend zijn voor de stadswijk Seghwaert (zoals aan de Gaardedreef tegenover de Dadelgaarde). Voor de bebouwing en de buurtjes stonden de gezelligheid, levendigheid en het afwisselende beeld van de oud-Hollandse stad model voor de stadswijk. Niet door het voorbeeld tot in detail te kopiëren (de architectuur in de stadswijk Seghwaert komt zonder twijfel voort uit zijn eigen tijd), maar eerder door op de hoofdprincipes van die oude stad te variëren. Zo ontbreekt hoogbouw volledig en heeft de stadswijk een hoge betrekkelijke dichtheid: gemiddeld vijftig woningen per hectare (de grote groengebieden niet meegeteld). Zeventig procent hiervan is laagbouw, de rest zogenaamde 'gestapelde laagbouw', woongebouwen van drie of vier lagen, vaak bestaand uit maisonnettes. De gestapelde laagbouw is met name langs de dreven gesitueerd, waarmee deze een meer stedelijk karakter hebben gekregen. De blokken zijn in de lengterichting langs de dreven en woonstraten gelegd en gaan dikwijls de hoek om of sluiten om de hoek onmiddellijk op een ander gebouw aan. De dichtheid wordt op die manier verhoogd en er ontstaan continue straatwanden met een besloten en intieme sfeer, zoals in een oude stad. Goede voorbeelden hiervan zijn de Akkerdreef tussen de Radijsakker en Peulenakker en de woonerven rond de Pijlkruidvaart. Ook de diversiteit en levendigheid van een oude stad met al zijn verspreide winkels en werkplaatsen werden in de stadswijk Seghwaert nagestreefd. Zó levendig is het niet geworden, maar niettemin is de stadswijk in functioneel opzicht redelijk divers. Buurtvoorzieningen als scholen, sportaccommodaties, gezondheidsinstellingen, maar ook particuliere bedrijven als garages of adviesbureau's zijn niet geclusterd, maar verspreid. Met name in sociaal en ruimtelijk opzicht is de diversiteit treffend. In elk van de zes deelgebieden van Seghwaert zijn woningen voor verschillende bevolkings- en inkomenscategorieën door elkaar gebouwd: huur, premiekoop, vrije sector, een- tot vijfkamerwoningen, H.A.T.-eenheden, woningen voor gehandicapten en bejaarden en zo meer. In verschillende groottes en verschillende typen, ook binnen één en hetzelfde bouwproject. Aan de buitenkant zijn deze verschillen vaak niet of nauwelijks te zien, geheel conform het democratisch ideaal van de jaren zeventig. De variatie binnen een bouwproject wordt vooral bereikt door afwisselende gevels en plattegronden, de plaats van de bergingen, wel of geen carports, variaties in breedte, hoogte en situering van de woningblokjes en verschillende vormen van de openbare ruimte. De stadswijk Seghwaert kent ook op hoger schaalniveau bijzonder veel variatie. Grote, aaneengesloten buurten gebouwd door slechts enkele architecten, zoals in de stadswijken Meerzicht en Buytenwegh, wilde men voorkomen. De grond werd opgedeeld in veel verschillende bouwvlekken en werd uitgegeven aan een flink aantal verschillende ontwikkelaars, vijfentwintig in heel de stadswijk Seghwaert. Deze hebben elk met hun eigen architect een bouwproject neergezet, meestal klein of middelgroot (tot 200 woningen). Alleen de clusters van sociale woningbouw zijn zeer groot, soms tot 500 woningen. De grote projecten zijn opgebroken in kleinere eenheden en verspreid over een deel van de stadswijk om monotonie te voorkomen. Zo behoort de Mosterdakker tot hetzelfde project als de Aspergeakker, de Madelieventuin en de Tarweakker. Elk van de acht deelgebieden had een eigen stedenbouwkundig plan waarin onder andere de strategieën ter vergroting van de diversiteit en de samenhang tussen de openbare ruimten en bouwprojecten uiteen werden gezet. In de Vaartenbuurt zijn verschillende categorieën openbare ruimten met elk een eigen sfeer gebouwd: de gracht (aan de Violiervaart), de straat (aan de Nimfkruidvaart), het plein (aan Weteringdreef tegenover het Clematispark), de laan (aan de Weteringdreef), het woonerf, de woonstraat (aan de Lelievaart) en het woonpad (autovrij, loopt tussen blokken door). Het is opmerkelijk dat met al deze variatie in de stadswijk Seghwaert stedenbouwkundig en architectonisch toch niet uit elkaar valt. De stadswijk kan van noord naar zuid worden doorkruist, te voet of met de auto, maar overal is duidelijk dat het om dezelfde stadswijk gaat. Vrijwel nergens bevinden zich ernstige breuken, stukken niemandsland, of 'fremdkörpers'. De consequente profielen van de openbare ruimten en het consequent toepassen van architectuur uit dezelfde school zijn hiervoor cruciaal. Het kleurgebruik in de stadswijk is eveneens een bindende factor, omdat er een kleurenplan aan ten grondslag heeft gelegen, opgezet door de Rotterdamse kunstenares Claartje Boekhorst. In de hele stadswijk zijn aardkleuren toegepast, in allerlei schakeringen, 'om de bebouwing zoveel mogelijk en zo goed mogelijk op het omringende landschap aan te sluiten'. Langs de dreven is de steenkleur in veel gevallen donker, in de achterliggende gebieden vaak lichter. Er is gevarieerd in baksteen-, dakpan-, hout- en kozijnkleur. De stadswijk Seghwaert is gebaseerd op het traditionele stedenbouwkundige principe van 'eenheid in verscheidenheid', zoals dat ook in oude steden te vinden is. Er is één groot verschil. Door het vrijwel geheel ontbreken van grote, karakteristieke gebouwen of openbare ruimten op belangrijke plekken (de winkelcentra zijn architectonisch te weinig interessant om als identiteitsdrager te fungeren) is het beeld zeer egaal, zonder hoogtepunten. De verschillen tussen de woningbouwprojecten bieden te weinig houvast voor mensen die de stadswijk niet goed kennen. Mede hierdoor ontstaat het beeld van een 'verdwaalwijk'. De buurtjes in de stadswijk Seghwaert, met uitzondering van de 'Slinger van Weeber' aan de Weidedreef, zijn gegroepeerd rondom 'woonerven'. Dit model is het eerst toegepast door de stedenbouwkundige Niek de Boer in de stadswijk Emmerhout in Emmen (1964-1970) en werd ingezet om de straat weer terug te geven aan de bewoners, zonder de auto rigoureus uit te bannen. Het woonerf werd in heel het land een succes en kreeg zelfs over de grenzen veel belangstelling. Het past uitstekend in het intieme en huiselijke concept van de stadswijkSeghwaert waar de straat bedoeld is voor sociaal contact en spelende kinderen. Op het woonerf kan slechts stapvoets worden gereden. Het 'blik' wordt broederlijk geparkeerd naast kinderspeelplaatsen, trapveldjes en speelweides of wordt keurig met hagen en struiken uit het straatbeeld weggeretoucheerd. 'Poppetje gezien, kastje dicht', precies zoals in de jaren zeventig de televisie in een met deurtjes afsluitbaar wandmeubel werd weggezet. Net als de architectuur spelen ook de woonerven een belangrijke rol in de identiteit van de buurtjes. Elk woonerf heeft een eigen hoofdvorm, groeninrichting en aansluiting op de omliggende bebouwing. Ook is hun hoofdvorm eenvoudig te herkennen, omdat in deze dichtbebouwde stadswijk de erven vaak geheel door bebouwing omsloten zijn. De groene woonerven vormen een aangenaam contrast met de dichtopeenstaande bebouwing, zodat de stadswijk toch niet benauwd aanvoelt. De vijvers van de stadswijk Seghwaert hebben dezelfde functie. Deze voor Zoetermeer unieke waterpartijen vormen met de woonerven de groene rustpunten van de stadswijk. Net als de woonerven zijn ook de vijvers allemaal anders van opzet en spelen een belangrijke rol in de identiteit van de verschillende buurten. De vijvers zijn geen restanten van het voormalig polderlandschap, maar zijn afgegraven. De windsingels van elzen of populieren zijn (vaak) wel restanten van het oude landschap. Net als in de stadswijk Buytenwegh de Leyens maakt het behoud van deze oude polderstructuren een vast onderdeel uit van 'de idee' van de stadswijk. Bron: Gemeente Zoetermeer, De Gave Stad
| |||||||||||