De stadswijk Stadscentrum - de ontwikkeling in fases

Na de vaststelling van het Structuurplan Zoetermeer in 1968 had een onmiddellijke 'doorstart' moeten plaatsvinden naar het ontwerp van het stadscentrum, waarvan men de eerste paal al in 1972 en de opening rond 1975 verwachtte, op het moment dat Zoetermeer 40.000 inwoners zou tellen. In plaats daarvan raakte de Werkgroep Ontwikkeling Zoetermeer echter in een impasse. Het was, achteraf gezien, natuurlijk onvermijdelijk: de planning van Zoetermeer bevond zich precies op het breukvlak van twee tijdperken. De revolte van de jaren zestig was bezig zich te voltrekken. De omverwerping van de 'regentencultuur' en de roep om directe democratie speelde niet alleen in het Maagdenhuis, maar ook (hoewel met minder tam-tam) in de nieuwe groeigemeente. Kant-en-klare plannen van een selecte club stedenbouwkundigen en bestuurders, zoals tot dan toe het geval was, pasten niet meer in het nieuwe klimaat. De Werkgroep Ontwikkeling Zoetermeer werd in 1971 opgeheven en er werden zogenaamde 'projectteams' samengesteld voor de stadswijken Seghwaert, Buytenwegh de Leyens en Stadscentrum. Die voor de stadswijk Stadscentrum kwam onder leiding van W.F. Schut te staan, die als gerenommeerd stedenbouwkundige, samen met twee andere 'zwaargewichten' uit de toenmalige stedenbouwkundige wereld, S.J. van Embden en R. Fledderus, al van begin af aan bij de ontwikkeling van Zoetermeer betrokken was geweest. In zijn functie als minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening had hij ook de eerste paal voor de stadswijk Meerzicht de grond in had geslagen. De Projectteams waren 'multidisciplinaire' overleg- en ontwerpgroepen, bestaande uit architecten, stedenbouwkundigen, sociologen, kunstenaars en (veel) ambtenaren uit uiteenlopende stedelijke diensten. De mening van de burger kreeg met 'inspraak' (toen een noviteit) een vaste plek in het ontwerpproces.

Voor de opzet van Zoetermeer had dit alles ingrijpende gevolgen: de stadswijken Palenstein, Driemanspolder en Meerzicht waren nog maar net in aanbouw, toen hoogbouw ook door de plannenmakers werd afgezworen (bij de bevolking en veel bestuurders bestond al van stonde af aan grote weerstand tegen deze woonvorm) en plaats maakte voor laagbouw, in allerlei verkavelingsvormen. De helft van de stadswijken Meerzicht, de gehele stadswijk Buytenwegh de Leyens en Seghwaert werden stadswijken van het 'kleinschalig woongeluk'. Deze onrustige tijden waren niet bevorderlijk voor de Stadscentrum-plannen. Over verschillende zaken werd getwist of bestond grote onzekerheid. De ontwerpers gingen al in het Structuurplan Zoetermeer uit van een onafhankelijke positie van het nieuwe stadscentrum ten opzichte van het oude dorp. Maar de Samenwerkende Middenstand Zoetermeer (Samizo) verzette zich daartegen en kwam zelfs met eigen tekeningen. De oude dorpsbebouwing zou vrijwel geheel door nieuwbouw moeten worden vervangen (dat was ook bij de 'officiële' plannen het geval) en daarbij onderdeel gaan uitmaken van het nieuwe stadscentrum van Zoetermeer. Een hiermee sterk verwant twistpunt was de vergroting van de Grote Dobbe. Voorstanders van de scheiding tussen het oude dorp en het nieuwe stedelijke stadscentrum (waaronder Schut) zagen de (vergrote) Grote Dobbe als onderdeel van een parkachtige 'bufferzone', de tegenstanders zagen hier uiteraard niets in.

De loop van de Zoetermeerlijn was eveneens een onzekere factor. In het plan van 1968 werd uitgegaan van een rondgaande lus die in een wijde boog om het stadscentrum zou lopen en hier dus niet zou kunnen stoppen. Dit zou de bereikbaarheid van het stadscentrum natuurlijk ernstig schaden, maar de oplossing had men niet direct voor handen. Het inhuren van een extern stedenbouwkundig bureau (Zandstra, Gmelig Meyling, De Clercq Zubli) om de impasse te doorbreken en knopen door te hakken bood geen soelaas. De producten van dit bureau werden zelfs onverbloemd beschreven als 'een toonbeeld van ongeïnspireerdheid'. Wat er mis was, was in essentie de achilleshiel van het hele planproces tot dan toe. Er was geen goed programma van eisen (dat wil zeggen een nauwkeurige beschrijving van welke functies en voorzieningen in welke hoeveelheden noodzakelijk of wenselijk zijn) en geen goed uitgewerkte ontwerpmethode. Niettemin kwamen in de aanloop tot een nieuw structuurplan, dat noodzakelijk geworden was vanwege de snel veranderende inzichten, belangrijke uitgangspunten vast te staan. De bebouwing in het oude dorp zou niet worden gesloopt ('Het doek voor het dorp is gevallen', zo kopte het tijdschrift Zoetermeer Stad misleidend) en kon als zelfstandig buurtcentrum los van het nieuwe stadscentrum blijven functioneren, de Grote Dobbe zou tot een grote plas worden vergraven en de enkelvoudige lus van de Zoetermeerlijn werd een dubbele, 'omgeklapte' lus, waarbij het nieuwe Stadshart, de winkelkern van het Stadscentrum, tussen twee stations zou komen te liggen. De inspraak, waarbij mensen met geluidswagens in de binnenstad van Den Haag werden opgeroepen mee te denken, was een succes geworden en had duidelijk gemaakt wat de burger van het centrum verwachtte: 'menselijk', 'leefbaar' en 'gezellig'. Het Structuurplan 1972 schetste een stadscentrum als 'ontmoetingsplaats', niet alleen van burgers met burgers, maar ook van burgers met handel en van burgers met bestuur. Het geheel zou een geheel eigen karakter en een 'opmerkelijke verschijningsvorm' krijgen. Al het gemotoriseerde verkeer, de Zoetermeerlijn en het parkeren zouden op maaiveldniveau blijven en erboven zou het stadscentrum, liefst grotendeels in houtskeletbouw, worden gebouwd. Een tot dan toe ongekend concept in Nederland. Ter plaatse van de Dobbeplas zou een riant 'stadsbalkon' op drie meter hoogte uitkijken op het lager gelegen 'stadserf' aan de plas en op het spektakel van 'Waterwonderland', het natte themapark in de Grote Dobbe. Niet alles zou in één keer gebouwd hoeven te worden, alleen de 'hardware', zoals het verkeerssysteem, het stadhuis en de plaats van de warenhuizen en belangrijke voorzieningen zouden vastliggen. Het geheel moest organisch kunnen groeien als een oude binnenstad.

De bekende illustrator Rudolf Das maakte in 1972 een vogelvluchtperspectief van het gedachte stadscentrum. Op de plek waar nu de Franse buurt ligt is het pretpark Waterwonderland te zien.

Hierna werd het een poos stil in de ontwikkeling van het stadscentrum, want het oude zeer, het gebrek aan een effectieve methode om het programma meer in detail uit te werken, speelde weer op. Zolang dat er niet was, de ontwerpers niet duidelijk konden maken hoe zij de bijzonder ingewikkelde menging van functies tot stand wilden brengen en het plan geen harde juridische status had, zouden geldschieters niet thuis geven. Het was duidelijk, de orthodoxe ontwerpmethode, waarbij de ontwerper aan het werk gaat en achteraf bekijkt of het geheel realiseerbaar is, was in dit geval niet geschikt. Daar was de opzet van het stadscentrum veel te ingewikkeld en de verschillen in denkbeelden tussen de leden van het breed samengestelde Projectteam te groot voor. Als oplossing voor dit probleem werd gekozen voor een in die tijd vooruitstrevende werkwijze, één die precies tegengesteld was aan de normale gang van zaken. De ontwerper zat niet in het begin van het ontwerpproces, maar helemaal aan het eind, als alle programma's, volumes en grove maatvoeringen van gebouwen, stedelijke ruimten en wegen al berekend en uitgekiend waren. 'De ontwerper werd het zwijgen opgelegd', zo concludeerde de Zoetermeerse stedenbouwkundige B. van Gent. Het ontwerpproces werd met andere woorden verregaand 'verwetenschappelijkt'. Men werkte van grof naar fijn, van abstract naar concreet, telkens aan een niveau lager het materiaal doorgevend om uitgewerkt en berekend te worden en nieuwe probleemstellingen te formuleren. Het beeld stond niet vast, maar zou het resultaat zijn van rationele keuzes, die dan ook zo precies mogelijk moesten worden vastgelegd en met schema's, cijfers en grafieken onderbouwd. 'Er is niet getracht met mooie tekeningen, maquettes e.d. - zoals vroeger gebeurde een aantrekkelijk beeld te toveren. Dat komt immers neer op misleiding. De ontwikkelingen kunnen namelijk niet gefixeerd worden', zo legde een raadslid uit. Het Bestemmingplan 1975 (en dan vooral de plankaart), waar dit alles in uitmondde, is een verbazingwekkend stuk, met ingewikkelde grafieken en relatieschema's die voor nietingewijden tamelijk mysterieus moet zijn geweest. Alle abstractie ten spijt (de concrete uitwerking zou in de komende jaren in grote lijnen volgen in aparte beleidnota’s) was het wel degelijk duidelijk hoe het stadscentrum er uit zou komen te zien. Aan het Bestemmingsplan werd enige jaren later zelfs een Stadsbeeldplan toegevoegd, waarin de functie 'beleving', die op één lijn werd gesteld met 'gewone' functies, aan de hand van tekeningen en foto's van andere steden per ruimtelijk aspect (bijvoorbeeld arcades) werd uitgelegd. 'Het was het eerste beeldkwaliteitplan van Nederland, lang voordat het begrip ook maar bestond', zo meent Frans Schaasberg destijds al stedenbouwkundige bij de gemeente.

Anderhalf jaar later, in oktober 1976, ging het ontwerpproces een beslissende fase in. Er werden drie grote ontwikkelaars bij de bouw betrokken, Wilma, Bredero en M.A.B., die hun grote praktijkkennis van de bouwwereld en van de markt van vraag en aanbod voor winkels, woningen en kantoren moesten aanwenden om samen met de gemeente de nog altijd vrij globale schetsen in concrete bouwplannen om te zetten. Het werd tijd, zo vonden de gemeenteraadsleden, want behalve dat hun voorstellingsvermogen met alle abstracte nota’s zwaar en vooral lang op de proef werd gesteld, ging de groei van Zoetermeer onstuitbaar door. Er moest zelfs een noodwinkelcentrum worden gebouwd, Soeterweijde, ter plaatse van de huidige Dublinstraat. De drie 'realisatoren', zoals zij werden genoemd, maakten in nauwe samenwerking met de gemeente de 'schetslayout' (daterend uit 1979), waarin het stratenpatroon, de precieze omtrek van de bouwblokken en de plek van de winkels, woningen en voorzieningen werden vastgelegd. De paal voor het eerste gebouw van het stadscentrum, het politie- en brandweerbureau ging in 1978 de grond in, terwijl ook werd begonnen met de verdiepte aanleg van de Europaweg. Een jaar eerder was de eerste fase van de Zoetermeerlijn al geopend. Maar wie had gedacht dat de bouw nu dan goed van de grond zou komen, vergiste zich deerlijk. Het zou nog vier jaar duren voordat van het tweede gebouw de eerste paal geslagen werd en zes jaar voordat de uitvoering echt op gang kwam. De inzakkende economie gooide zand in de motor. In het Stadshart waren vier zogenaamde grote 'trekkers' gepland, de Hema, de KonMar, C&A en V&D. De V&D had echter financiële problemen en trok zich terug. M.A.B. en Bredero dienden, als de twee ontwikkelaars die binnen de stadswijk Stadscentrum het Stadshart voor hun rekening zouden nemen, hier een oplossing voor aan te dragen, hetgeen Bredero uiteindelijk met het inleveren van de opdracht moest bekopen, omdat deze ontwikkelaar uit wilde gaan van drie trekkers en zelfs de belangrijkste stedenbouwkundige uitgangspunten, zoals het opgetilde niveau, wilde loslaten. M.A.B. bleef als enige ontwikkelaar voor het Stadshart over, hoewel ook deze lange tijd geen vierde trekker kon vinden. Maar er speelde meer. Niet alleen bleek het moeilijk een ander grootwinkelbedrijf te interesseren in het Stadshart, dat gold ook voor beleggers, die de bouw van de winkels en woningen moesten financieren. De inzakkende economie noodzaakte bovendien tot bezuinigingen op het plan. Een kwart van de parkeerplaatsen werd geofferd, de resterende versoberd, de kosten van het woon- en bouwrijp maken moesten worden gedrukt en het te realiseren programma aangepast.

Op 1 september 1981 werd na de bouw van de brandweerkazerne en het politiebureau de draad weer opgepakt met het slaan van de eerste palen voor het westelijk deel van het Stadshart en het Prins Willem Alexander Sportcentrum in het oostelijk deel van het Stadshart. In mei 1982 werd de officiële opening van het busstation en de Europaweg gegeven. Wanneer M.A.B. dan eindelijk een grote belegger gevonden heeft, de Aegon, kon vanaf 1983 de bouw van het Stadshart tenslotte echt op gang komen. In het voorjaar van 1985 werd de eerste fase aan het westelijk deel van het Stadshart feestelijk geopend en in datzelfde jaar werd ook de Zoetermeerlijn, de eerste na-oorlogse spoorlijn in Nederland, met het ingebruiknemen van station Stadhuis gereed. Vanaf dit ogenblik werd met straffe regelmaat elk jaar een 'fase' van het Stadshart geopend. Bovendien werden ook zogenaamde 'randkernen' rondom het Stadshart, de Franse, Engelse en Griekse buurt, in snel tempo gerealiseerd door ontwikkelaar Wilma. Op 15 maart 1990 tenslotte, vijfentwintig jaar nadat de eerste voorzichtige ideeën over het stadscentrum op papier werden gezet, werd de laatste fase geopend, de Stadshart Passage, de oplossing van M.A.B. voor de ontbrekende vierde trekker. Het is misschien een wat vreemde eend in de bijt, dat deze overdekte passage in een stadscentrum dat zo uitdrukkelijk een 'echte' binnenstad onder de blote hemel moest worden, maar het concept, waar M.A.B. bij de ontwikkeling van de Hallen in Parijs al ervaring mee had opgedaan, is niettemin een groot succes geworden. De bouw in het Stadshart en het stadscentrum als geheel heeft sinds de officiële laatste fase niet stilgestaan. De ontwerpers stond geen stadscentrum met een eindbeeld voor ogen, maar een 'binnenstad' die altijd kan veranderen, zij het met behoud van de hoofdstructuur. In de jaren na 1990 zijn het Stadstheater en het bioscoopcomplex Utopolis (voorheen Movie Palace) gebouwd, heeft het Stadhuis een toren gekregen, zijn er woontorens gebouwd, werd het winkelgebied Warande en Spazio geopend en staat de uitbreiding van het Stadshart in het oosten op te wachten. De échte laatste fase van het Stadscentrum is voorlopig nog niet aangebroken.

Bron: Gemeente Zoetermeer, De Gave Stad

De ontwikkeling
in de stadswijk Stadscentrum
De historische infrastructuur
in de stadswijk Stadscentrum
De ruimtelijke opzet
in de stadswijk Stadscentrum
Het groen en water
in de stadswijk Stadscentrum
 
De architectuur
in de stadswijk Stadscentrum
De recente ontwikkelingen
in de stadswijk Stadscentrum
De bijzondere kwaliteiten
van de stadswijk Stadscentrum