De stadswijk Seghwaert - de ontwikkelingSeghwaert. De naam van de vierde stadswoonwijk van Zoetermeer is een eerbetoon aan het zusterdorp Zegwaart, waarmee Soetermeer zich in 1935 verenigde. De ouderwetse spelling lijkt misschien een verzinsel, maar in de zeventiende eeuw heette het oostelijke deel van het tweelingdorp Seg(h)waert en de polder ten noorden hiervan de Seg(h)waertse Polder. Dit werd later de Palensteinse Polder en temidden hiervan zou de stadswijk Seghwaert verrijzen.
Minister Gruijters gaf in mei 1976 het startsein voor deze vierde (en in de oorspronkelijke plannen van 1968 ook laatste) stadswijk van Zoetermeer. Op een gebied van 220 ha, hetzelfde oppervlak als de stadswijk Buytenwegh de Leyens, moesten 6.420 woningen verrijzen voor 19.000 inwoners in een relatief hoge dichtheid van vijftig woningen per hectare. Er werd gedacht aan een stadswoonwijk die een beschut woon- en leefklimaat moest geven. Als voorbeeld werd gedacht aan de opzet van historische hollandse steden in h et polderlandschap. Kenmerken zijn kleinschaligheid, levendigheid, intiem en beschut, geen scheidingen, hoge woondichtheden, geringe bouwhoogte, straten, korte loopafstanden tot de voorzieningen e.d., zo meldde de gemeentelijke informatiekrant. Een dergelijke stadswijk was de absolute tegenpool van de uitbreidingen waar Zoetermeer in 1968 mee begonnen was. De anonieme hoogbouw in de stadswijken Palenstein, Driemanspolder en oostelijk Meerzicht was al snel na de oplevering in ongenade gevallen en werd vervangen door het 'verhaal van een andere gedachte', een in die dagen gevleugeld begrip waarmee de beroemde architect Aldo van Eyck al in 1959 de vakgebieden van stedenbouw en architectuur in beroering had gebracht. Wat in deze jaren opspeelde was volgens de stedenbouwkundige S.J. van Embden, die intensief bij de ontwikkeling van Zoetermeer betrokken is geweest, de 'tegenstelling tussen de verdedigers van het gezin als traditionele hoeksteen van de samenleving, wonende in direct contact met Moeder Aarde enerzijds en anderzijds exponenten van het moderne Bevrijde Wonen, hoog en in direct contact met de 'Kosmische Ruimte' '. Behalve herbergzaamheid en functiemenging lag ook het begrip 'diversiteit' een ieder in deze dagen voor op de tong en dat had niet alleen betrekking op gebouwen en openbare ruimtes, maar ook op de menging van verschillende leeftijdsgroepen, woonvormen en inkomenscategorieën. Ook in dit klimaat wilde men 'bevrijd' worden, niet van de banaliteit en de benauwdheid van het aardse wonen, zoals Van Embden voor ogen had, maar van bevoogding door bestuurders, ambtenaren en stedenbouwkundigen. Het waren de jaren van de democratiserings- en emancipatiegolf, van inspraak en medezeggenschap.
Kant-en-klare plannen van geïsoleerde stedelijke diensten waren uit en maakten plaats voor stedenbouw 'van onderop', gemaakt in samenspraak met bewoners en vertegenwoordigers uit andere vakgebieden dan de stedenbouw, zoals sociologen, (tuin)architecten, kunstenaars en organisatiedeskundigen. Vanaf de bouw van de stadswijk Buytenwegh de Leyens is dit in praktijk gebracht. Ook de stadswijk Seghwaert had zogenaamde ontwerpteams die het globale stedenbouwkundige plan, gemaakt door de drie gemeentelijke stedenbouwkundigen F. Schaasberg, W. Hermans en R. Schmohl, uitwerkten in bestemmingsplannen en concrete bouwprojecten. Alleen in deelplan Sd kwam hier nog een extern stedenbouwkundig bureau aan te pas, verder is alles door de gemeentelijke stedenbouwkundigen opgezet en begeleid, hetgeen een breuk was met de toen bestaande praktijk. Pas in de jaren negentig gaf de gemeente het stedenbouwkundige werk weer (gedeeltelijk) uit handen. De bevolking kon, op elk planniveau, inspraak leveren via de gele 'Inspreekkrant' en de 'Insprekerswerkgroep'. 'Straks wonen in Seghwaert. Nu zeggen hoe U het wenst', riep een nieuwsbrief de bewoners op. De inspraak werd evenwel geen eclatant succes. Het feit dat er nog geen mensen in de stadswijk Seghwaert woonden en de toekomstige bewoners dikwijls nog niet bekend waren, was de reden dat de gemeente weinig weerklank vond bij de burger. De Insprekerswerkgroep hief zich in 1977 zelfs op. De bouw van de stadswijk Seghwaert nam zes jaar in beslag en werd per deelgebied uitgevoerd. Er waren er acht, Sa tot en met Sf en Ka (de Petuniatuin) en Kb (de Leidsewallen). De Gaarden (Sa) en de Sloten (Sb) werden het eerst uitgevoerd, de Akkers (Sc), Parken (Se) en Vaarten (Sd) volgden en met de Weiden en Velden (Sf) werd de stadswijk voltooid. De straatnamen werden afgeleid van de agrarische geschiedenis van de polder. Elk van de acht deelgebieden is door andere ontwerpteams vormgegeven en begeleid door een eigen gemeentelijke stedenbouwkundige, zoals F. Marks voor Se en B. Otters voor Sc. Dit heeft de architectonische en stedenbouwkundige diversiteit van de stadswijk vergroot, precies zoals de bedoeling was. Die diversiteit hield ook verband met de hausse aan woningbouwexperimenten in Zoetermeer, maar ook in de rest van het land, die zo kenmerkend is voor de jaren zeventig. Een breed stelsel aan rijkssubsidies werd ingezet om de verscheidenheid van het woningaanbod en de woonomgeving te vergroten, waaronder het 'Stimuleringsprogramma experimentele woningbouw' en de 'Beschikking geldelijke steun eigen woningen'. Deze laatste subsidie is gebruikt om het eigen woningbezit te bevorderen en 'eigenbouwers' te ondersteunen. Ook in de stadswijk Seghwaert is van deze regeling gebruik gemaakt. De subsidie voor experimentele woningbouw is veel gebruikt om afwijkende woningtypen te bouwen. Dit was noodzakelijk, want de tijd dat groeikernen voor 'standaard' gezinnen werden gebouwd was voorbij. De stadsvernieuwing kwam op gang en die drong ook veel alleenstaanden en bejaarden uit hun binnenstedelijke behuizing.
Alle subsidies en experimenten ten spijt kan toch niet worden gezegd dat de stadswijk Seghwaert in het meest gunstige tijdvak tot stand is gekomen. In de tweede helft van de jaren zeventig verslechterde de economie en al krap twee jaar na het slaan van de eerste paal werd dat pijnlijk voelbaar. De hypotheekrente steeg tot historische hoogte (14%) en de verkoop van duurdere woningen liep spaak (zoals die aan de Sinaasappelgaarde, de Lelievaart en Nimfkruidvaart). De premiekoopwoningen werden meer dan eens omgezet in huurwoningen. Ook de bouw liep aanzienlijke vertraging op, terwijl de bouwprijzen sterk waren gestegen als gevolg van de voorgeschreven diversiteit in woningtypen en architectuur. Vergeleken met de jaren zestig waren de bouwkosten met twintig procent toegenomen, zo bleek uit een onderzoek dat in 1978 werd gepubliceerd. Verbijzonderde hoekwoningen, overdekte parkeervoorzieningen, overbouwde onderdoorgangen en het grote aantal woningtypen binnen een plan waren dure extra’s. Vanuit verschillende hoeken werd deze manier van bouwen alsmaar meer onder vuur genomen. Architecten als Carel Weeber of J.J. Sterenberg, nota bene één van de ontwerpers van het experimentele woondekkenplan in de stadswijk Buytenwegh de Leyens, uitte in 1978 kritiek op de stedenbouwkundige 'dwangvoorschriften', die standaardisatie in de weg stonden en zorgden voor dure overruimte in de woning. Ook de politiek zag in dat het tij was gekeerd en Marcel van Dam, toen nog staatssecretaris van Volkshuisvesting, maakte furore met zijn opmerking dat het maar eens uit moest zijn met de 'toeters en bellen' in de woningbouw. De Woningfederatie Zoetermeer, de overkoepelende organisatie van woningbouwverenigingen, schreef in 1978 een brandbrief naar de gemeenteraad met vierentwintig bezuinigingsvoorstellen, die een keerpunt betekende in de ontwikkeling van de stadswijken Seghwaert en Buytenwegh de Leyens. Bij de bouw van de woningen tussen de Andoornvaart en Pitrusvaart heeft de Woningfederatie bij wijze van experiment enkele van deze bezuinigingen doorgevoerd. Aangezien de deelgebieden ten zuiden en (noord)oosten van de Zoetermeer Stadslijn al waren of werden gebouwd is de architectonische en stedenbouwkundige versobering, die het gevolg was van deze koerswijziging vooral goed af te lezen aan de buurtjes ten noorden van de Zoetermeer Stadslijn. De woningbouw tussen de Weidedreef en de Konijnenweide van de architect Carel Weeber (het project 'De Lotus' of de 'Slinger van Weeber') springt dan met name in het oog. Lange, heldere lijnen hebben de plaats ingenomen van besloten woonerven en verspringende gevels. Bron: Gemeente Zoetermeer, De Gave Stad
| |||||||||||||||||||