De stadswijk Rokkeveen - de ontwikkeling in fases

De stadswijk Rokkeveen vormt samen met de stadswijken Noordhove en Oosterheem de zogenaamde tweede schil van Zoetermeer. De planning en aanleg van die tweede schil heeft al een geschiedenis van bijna dertig jaar. Dat is ook niet zo verwonderlijk voor dergelijke grote stadsuitbreidingen in het Groene Hart. De uitbreiding in zuidelijke richting, de stadswijk Rokkeveen, ligt als enige aan de andere kant van de rijksweg A12. Was dit wel de juiste plek en zo ja hoe moest zo'n grote stadswijk worden ingepast tussen de snelweg en het groene overgangsgebied naar Bleiswijk, Pijnacker en Nootdorp? Daarover hebben bestuurders, planologen en stedenbouwkundigen zich lang het hoofd gebroken. De gedachtevorming over de verdere uitbreiding van de groeikern na voltooiing van de stadswijken, precies volgens de kwadranten uit het Structuurplan Groot Zoetermeer 1968, begon ruim voordat de laatste stadswijk daarvan, Seghwaert, voltooid was. In 1973 kwam uit onderzoek naar voren dat er, ondanks het hoge bouwtempo, in en om Den Haag een aanzienlijk tekort aan woningen zou blijven bestaan. Om aan de toekomstige vraag naar woningen te voldoen werd geopperd dat de groeikern Zoetermeer een extra bouwinspanning zou kunnen leveren. Maar een verdere groei van Zoetermeer was toen helemaal niet zo vanzelfsprekend.

De aanwijzing van Zoetermeer tot groeikern in 1962, waardoor dit plattelandsplaatsje in het Groene Hart kon uitgroeien tot een nieuwe stad van 100.000 inwoners, was juist gezien zijn ligging uitzonderlijk. De uitgesproken inzet van de Eerste en de Tweede Nota voor de Ruimtelijke Ordening was immers het voorkomen van een binnenwaartse bebouwing van de Randstad. Beheersing van de groei door middel van een 'gebundelde deconcentratie' was het antwoord. Slechts een beperkte uitwaartse expansie van de Randstad werd toegestaan, hierover bestond in het begin van de jaren zestig geen twijfel. De splinternieuwe Wet op de Ruimtelijke Ordening, dateren uit 1965, regelde dat ieder van de drie bestuurslagen, gemeente, provincie en rijk, zijn eigen doelen mocht stellen met inachtneming van overkoepelende plannen. Het 'poldermodel' bleek ook van toepassing op de planning, waardoor deze vanaf dat moment wordt gekenmerkt door een gereguleerd maar tijdrovend proces van onderhandelen en consensusvorming. Deze korte uitweiding is nodig om het jarenlang slepende proces te begrijpen dat de ontwikkeling van de stadswijk Rokkeveen, met name wat betreft situering, omvang, hoofdontsluiting en -structuur, doormaakte.

Gesteggel van rijk, provincie en gemeente

Het voorspel begon in 1974 toen een door het rijk en de provincie Zuid-Holland opgesteld stuk over bouwmogelijkheden in Zoetermeer uitlekte, waarop de gemeente Zoetermeer het jaar daarop prompt antwoordde met een eigen nota met de boodschap dat op dat moment 'Zoetermeer niet stond te trappelen'. Was er eigenlijk wel zo'n dringende behoefte aan een versnelde uitgroei, zo vroeg men zich hardop af. Het rijk en de provincie legden in de jaren daarna hun kaarten op tafel. In 1976 publiceerde het rijk de Verstedelijkingsnota en de Structuurschets Verstedelijking. Het jaar daarop kwam de provincie met een visie op de verstedelijking van Zuid-Holland West. En wat bleek: de visies van rijk en provincie stonden lijnrecht tegenover elkaar. De provincie stond een zogenaamde gewestelijke vingerstadstructuur voor. Vanuit dat oogpunt vond de provincie een uitbreiding van Zoetermeer in de richting van Benthuizen totaal ongewenst. Het rijk daarentegen hing het zogenaamde eilandprincipe aan: het zo geconcentreerd mogelijk houden van eventuele uitbreidingen van bestaande kernen. Geconstateerd werd bovendien dat door verrommeling van het gebied tussen Zoetermeer, Delft en Rotterdam dit feitelijk niet meer tot de centrale open ruimte mag worden gerekend. Het maakte het rijk vervolgens niet uit in welke richting uitbreiding plaatsvond, belangrijk was dàt hij plaatsvond.

Hoe dacht men er in Zoetermeer eigenlijk zelf over? In 1976 werd berekend dat het niet doorbouwen na 1982, het tijdstip waarop de oorspronkelijke groeikerntaak zou zijn voltooid, ernstige gevolgen zou hebben voor de woningzoekenden uit de eigen stad, voor de reeds geplande stedelijke voorzieningen en voor het indammen van de suburbanisatie. Niet doorbouwen was daarom in de ogen van de gemeente geen optie. Zoetermeer was trouwens al jaren gewend gemiddeld 1.500 woningen per jaar te realiseren en was, onder bepaalde voorwaarden, bereid en in staat die groeitaak ook na 1982 voort te zetten. Maar waar moesten die extra woningen komen te liggen? Gekozen moest worden uit een ligging ten noorden of ten oosten van de stadswijk Seghwaert of ten zuiden van de spoorlijn Den Haag-Utrecht en de rijksweg A12. Spoed was geboden: de eerste woningen in de vijfde stadswijk moesten volgens de bestuurders in 1982 kunnen worden betrokken. Een werkgroep toetste de drie locaties, waarvan Zuid in twee varianten op een reeks criteria betreffende milieu, landschap, verkeer, vervoer, voorzieningen en uitbreidbaarheid. De aansluiting van de locatie Zuid, het huidige Rokkeveen op het hoofdwegennet met name de Afrikaweg en de Oostweg was problematisch. De aanwezigheid van spoorwegstations kwam daarentegen goed van pas. Wel was er in de ruimere Zuidvariant een correctie van de gemeentegrens met Pijnacker en Berkel en Rodenrijs nodig. Doortrekken van de Sprinterlijn was echter niet haalbaar. De werkgroep berekende dat de uitbreiding Zuid het goedkoopst zou zijn. Toch ging de lichte voorkeur van de werkgroep uit naar Noord en bij verdere behoefte naar het aangrenzende Oost. Als Burgemeester en Wethouders in september 1977 in een overmoedige bui de raad voorstellen zowel Noord als Zuid te gaan ontwikkelen, worden zij direct teruggefloten. De Werkgroep Structuurschets Zoetermeer kreeg slechts de opdracht bestemmingsplannen voor Noord en voor een beperkt bedrijventerrein Zuid op te stellen. Het bestemmingsplan voor het bedrijventerrein Lansinghage kwam in 1979 gereed, maar met Noord liep het zo’n vaart niet. Dat had alles te maken met de hardnekkige voorkeur van de provincie voor de locatie Zuid en het onvermogen van minister Belaerts van Blokland om knopen door te hakken. Zo had hij noch de procedure voor de vereiste gemeentelijke grenscorrecties tijdig in gang gezet, noch concrete bedragen toegezegd in het kader van het zogenaamde groeikern-instrumentarium. En zoals Van Gent opmerkt in zijn monumentale studie over Zoetermeer: ‘Het financiële aspect is de spil waar de uitvoering van de groeikerntaak om draait’. Eerst rekenen dus. In dikke rapporten over de haalbaarheid van Rokkeveen, zoals Zuid toen is gaan heten, werden talloze modellen onderzocht. In februari 1983 werd de conclusie getrokken dat model 6 het gunstigst was en eind van dat jaar kon met de bewindslieden Winsemius en Brokx overeenstemming worden bereikt over woningaantallen en subsidiebedragen. In verband met de hoge kosten voor de benodigde infrastructuur werd het woningaantal verhoogd tot 9.000 à 10.000. Er kon begonnen worden aan een stedenbouwkundig plan voor de stadswijk Rokkeveen.

Rokkeveen krijgt vorm

Tijdens de planologische en financiële voorbereiding van de stadswijk Rokkeveen werd door de projectgroep Nieuwe Wijken reeds nagedacht over een stedenbouwkundige opzet. De jonge gemeentelijke stedenbouwkundigen Ton Hinse en Frans Marks hadden daartoe vanaf 1981 een schat aan gegevens verzameld en een methodiek ontwikkeld die tegelijk inzichtelijk en omvattend was. Zij zetten zich bewust af tegen de uitwassen van de 'planologenstedenbouw'. Dit had in hun ogen slechts geleid tot ruzies tussen bestuurslagen en een rommelige besluitvorming. 'Van een planologische evenwichtige visie is in deze situatie nauwelijks sprake'. Er is in het begin van de jaren tachtig, na jarenlang schetsen en praten, inderdaad geen voldragen structuurplan voor de ontwikkeling van geheel Zoetermeer. De stadswijk Rokkeveen stond min of meer op zichzelf. Omdat vanwege de rijksweg A12 en de spoorlijn een hechte stedenbouwkundige samenhang met overig Zoetermeer anders dan op het niveau van het hoofdwegennet moeilijk haalbaar was, bestond de opgave erin de stadswijk Rokkeveen een gezicht te geven aan de rijksweg A12, het omringende landschap te laten doordringen in de stadswijk en de stadswijk zelf te geleden in te onderscheiden delen en buurten. Hoe benaderde deze nieuwe generatie stedenbouwkundigen de ontwerpopgave voor een stadswijk van 9.200 woningen? Zoetermeer, dat in vijfentwintig jaar bijna vier stadswijken en een stadscentrum had gerealiseerd, werd door hen gezien als een openluchtmuseum voor architectuur en stedenbouw, waar om de zeven jaar een andere opvatting aan bod is gekomen. De aanpak voor de stadswijk Rokkeveen bestond eruit alle in voorgaande stadswijken ontwikkelde thema’s een plaats te geven, te weten functionaliteit (Palenstein en Driemanspolder), vrije compositie (Meerzicht), landschap en ecologie (Buytenwegh de Leyens), patronen (Seghwaert), en beleving en complexiteit (Stadscentrum). De ontwerpers doopten deze, op topografie, compositie en functie gebaseerde aanpak de driesporenmethode. Hierin hadden alle vakdisciplines, die de gemeente overigens vanaf 1978 zelf in huis had, een vanzelfsprekende plaats. Zij kregen alle ruimte om met voorstellen te komen, maar stedenbouw was van dit proces wel de roerganger. Hinse en Marks haakten daartoe aan op wat in die tijd 'objectivering van de stedenbouw' werd genoemd. Zij traden zodoende in het voetspoor van Carel Weeber, die in 1977 de knuppel in het hoenderhok had gegooid met zijn artikel 'Geen architectuur zonder stedenbouw'. Hierin nam de Delftse architectuurhoogleraar en toentertijd productief ontwerper afstand van de overheersende kleinschalige stedenbouw, die uitkwam op ‘het woongeluk in een klein hoekje’. In plaats daarvan brak hij een lans voor een stedenbouw die zich bedient van neutrale grids, rasters die regelmatige stratenpatronen en rooilijnen aanduidden, en die in principe losstonden van de architectuur van de bebouwing die erop mogelijk was. Denk aan het negentiende-eeuwse grid van steden als Barcelona en New York. In de Amsterdamse Venserpolder realiseerde Weeber een fragment van een dergelijk grid. De Zoetermeerse stedenbouwkundigen kopieerden in Rokkeveen niet letterlijk het ideaal van Weeber. Hun plan is meer geometrisch van opzet: de plankaart wordt beheerst door vierkanten, driehoeken en cirkels. De drie sporen - topografie, functie en compositie - werden vanaf 1982 in jaarlijkse ontwerprondes bijgesteld en gekoppeld om uiteindelijk in 1986 uit te monden in de definitieve plankaart. Het spoor topografie omvat gegevens die de landschappelijke structuur bepalen en ook zouden gaan bepalen, zoals grenswijzigingen, bestuurlijke afspraken en het geplande staatsbos. Een wijk, hoe mooi ook, moet uiteraard goed functioneren. Om dat in het plan te waarborgen werd een raster van honderd bij honderd meter gelegd, die de stedenbouwkundige functies ordende en 'in de maat' zette. De stedenbouwkundigen leverden het model van de geleding van de wijk in delen en buurten en hun onderlinge ruimtelijke relaties. In 1986 werd het plan voor Rokkeveen uiteindelijk vastgesteld. Het is een verdienstelijk plan, vooral door de vastlegging van strakke hoofdlijnen en flexibiliteit van de invulling.

De Floriade 1992

Twee plannen door 'externen' zijn van grote invloed geweest op (delen van) de stadswijk Rokkeveen: de Floriade 1992 en het kantorenplan Campus. Eind 1981 lanceerde het hoofd van de ontwerpafdeling Beplantingen, Michiel den Ruijter, met succes het idee om de vierde internationale tuinbouwtentoonstelling naar Zoetermeer te halen. Na de selectieprocedure van de Nederlandse Tuinbouwraad te hebben doorstaan werd een zelfstandig projectbureau opgezet met stedenbouwkundigen en landschapsarchitecten uit de gemeenten Den Haag en Zoetermeer en toog men aan het werk om de Floriade in te passen in de planvorming van de stadswijk Rokkeveen-West. Daarin ziet men stap voor stap de drie lijnen van de zogenaamde ganzenvoet, de 'vlieger', de cirkel en de banen verschijnen. Het was de vooropgezette bedoeling om zoveel mogelijk singels, waterpartijen, wegen, paden en bruggen, de centrale dijk en de parken te behouden voor de stadswoonwijk Rokkeveen-West die na afloop van de Floriade ter plekke gerealiseerd moest worden. Dat dit niet overal is gelukt wijt Hinse aan de strakke en krappe verkavelingsregels van het ministerie van V.R.O.M., waaraan de woningbouwplannen indertijd moesten voldoen. Desondanks is de stadswijk Rokkeveen-West, waar nu de laatste hand wordt gelegd aan het woonpark naast de plas, het meest geslaagde stadswijkdeel van Rokkeveen en één van de betere van Zoetermeer. De geometrische vormen worden er op een ongeforceerde manier beantwoord door een variatie aan verkavelingsvormen en architectuurstijlen.

Plan Campus

In 1984 was tussen het rijk, provincie en gemeente in beginsel overeenstemming bereikt over de bouw van 140.000 vierkante meter kantooroppervlak, rondom het dubbelstation Zoetermeer-Driemanspolder en in een aansluitende strook langs de Zuidweg. De Haagse projectontwikkelaar M.A.B. gaf direct te kennen geïnteresseerd te zijn in de ontwikkeling van het gebied en wel volgens een nieuwe Amerikaanse formule. In de Verenigde Staten was men afgestapt van bedrijfsverzamelgebouwen en overgegaan op veel kleinere high-tech gebouwen met een eigen image en gelegen in een parkachtige omgeving. Vandaar de naam Campus. Wel was het de bedoeling via een overbouwing van de A12 en de spoorlijnen letterlijk een brug te slaan naar de kantorenstrook langs de Boerhaavelaan. De stedenbouwkundige studies die M.A.B. liet verrichten, onder andere door architect Ellerman en landschapsarchitect Cardinaal zijn volgens Van Gent sterk van invloed geweest op de structuur van de stadswijk Rokkeveen. Inderdaad keren de strook langs de Albert Schweitzersingel, de losse complexen langs de Mahatma Gandhisingel en de 'scheg' langs de Madame Curiesingel die alle in het plan Campus voorkomen, in het structuurplan Rokkeveen terug. De daadwerkelijke ontwikkeling verliep echter niet zonder problemen. Met name de gemeente Den Haag, die vreesde voor concurrentie op de kantorenmarkt, lag dwars. Hierdoor sneuvelde het ambitieuze plan om de snelweg te overbouwen al spoedig. Er werd volstaan met een overkapte brug, die aansloot op een uitbouw voor N.S.-doeleinden. Ook de samenwerking tussen M.A.B. en de gemeente Zoetermeer was niet optimaal, waardoor de gemeente besloot de brug voor eigen rekening te laten bouwen en M.A.B. slechts de oostelijke scheg van het kantorengebied te laten ontwikkelen. Jammer genoeg is door één en ander de kantorenstrook langs de snelweg (nog) niet het 'visitekaartje' van Zoetermeer met een internationale allure, zoals M.A.B. aanvankelijk beloofd had.

De vlekkeloze realisatie

De daadwerkelijke uitvoering startte op 22 oktober 1987 met het slaan van de eerste paal van een project van 102 woningen in het stadswijkdeel Rokkeveen-Oost door minister Nijpels. Een trotse burgemeester Hoekstra sprak bij deze gelegenheid van een historische dag, niet alleen omdat de stadswijk Rokkeveen waarschijnlijk de laatste groeikernstadswijk van deze omvang zou worden, maar vooral vanwege de Floriade en de plannen voor een 'kantoorgebied van internationale allure'. De bouw van de stadswijk Rokkeveen is uitermate voorspoedig en zonder noemenswaardige incidenten verlopen. Alle omstandigheden werkten daar ook aan mee. De gemeente had de grond in handen en was in de positie jaarlijks tien tot vijftien ontwikkelaars te selecteren, die bewezen hadden binnen de planning te kunnen werken en de gevraagde kwaliteit te leveren. Het halen van de planning was van eminent belang vanwege de aan de toegekende contingenten verbonden subsidies. Zij kregen, ondanks de deregulering, bovendien dikke rapporten ter hand gesteld met voorschriften en kwaliteitseisen waaraan het woningbouwplan moest voldoen. Er was in feite sprake van een public-private partnership. De sociale woningbouw, aanvankelijk zeventig procent van de woningproductie, kwam voor rekening van de drie Zoetermeerse woningbouwverenigingen, die in onderling overleg tot afspraken hierover kwamen. In het begin van de jaren negentig kwam een discussie op gang over de (on)wenselijkheid van de tamelijk eenzijdig samengestelde woningvoorraad. Om inwoners met hogere inkomens aan Zoetermeer te binden en om 'wooncarrières' mogelijk te maken, was het zaak meer duurdere vrije sectorhuizen te bouwen. Bovendien was de huizenmarkt gunstig en bouwde het rijk de woningbouwsubsidies af. Jaar na jaar stegen de prijzen van de koopwoningen. Slechts éénmaal, namelijk in 1994 moest in de zogenaamde taartpunt van Zuid aan het Berkelsepad een project worden herontwikkeld, omdat de verkoop stagneerde. Omdat van oost naar west werd gebouwd heeft deze omslag geleid tot een tweedeling in de stadswijk Rokkeveen, precies aan weerszijden van het Burgemeester Hoekstrapark. De opgaande lijn eindigt in het Florapark, met 'ministeriabele' huizen van 1,3 miljoen gulden. Aanvankelijk lag het in de bedoeling hier beroemde internationale architecten uit te nodigen voor een bijzonder project à la het Woningbouwfestival aan de Dedemsvaartweg in Den Haag, maar dit is niet gelukt. Omdat de gemeente de bezoekers van de Floriade niet wilde confronteren met uitzicht op bouwplaatsen is de woningbouw rond het Floriadeterrein enigszins vertraagd, een vertraging die de stadswijk Rokkeveen-West kwalitatief gezien alleen maar ten goede is gekomen. Al met al is daarmee het plan Rokkeveen, dat onderscheid maakte tussen harde lijnen en een flexibele invulling, uitgevoerd zoals het in de bedoeling lag..

Bron: Gemeente Zoetermeer, De Gave Stad

De ontwikkeling
in de stadswijk Rokkeveen
De historische infrastructuur
in de stadswijk Rokkeveen
De ruimtelijke opzet
in de stadswijk Rokkeveen
Het groen en water
in de stadswijk Rokkeveen
 
De architectuur
in de stadswijk Rokkeveen
De recente ontwikkelingen
in de stadswijk Rokkeveen
De bijzondere kwaliteiten
van de stadswijk Rokkeveen