De stadswijk Stadscentrum - de architectuur

De architectuur van de wijk Stadscentrum, hoe klein deze stadswijk ook is in vergelijking met de omliggende stadswijken, is allerminst homogeen. De ver doorgevoerde scheiding van verkeerssoorten is mede van invloed geweest op de architectuur van de gebouwen langs de wegen, lanen, straten, pleinen en paden. En hoe jong het stadscentrum ook is, toch tekent zich al een opvallende verandering in architectuurstijlen af. Er is bovendien sprake van een dóórgaande ontwikkeling. Het overwegend horizontale beeld van het stadscentrum wordt sinds enkele jaren doorbroken door een drietal kloeke torens: de stadshuistoren, de woontorens aan Noordwaarts en Duitslandlaan. Een vleugje extravert Manhattan voegt zich bij de ingetogen naar binnen gekeerde binnenstad. Aan de doorgaande autowegen, de Europaweg en de Denemarkenlaan (maar ook de Duitslandlaan en de Luxemburglaan), toont het stadscentrum zich van zijn stedelijkste kant, al is de architectuur, met uitzondering van het politie- en brandweerbureau, Stadstheater en Utopolis vrijwel nergens van een bijzondere kwaliteit. Langs de vele fiets- en wandelroutes, die het Stadshart verbinden met de omringende stadswijken, krijgt men een heel ander beeld van de stadswijk. Deze routes voeren voornamelijk door de rustige woonbuurtjes rondom het Stadshart, waar langgerekte laag- of middelhoogbouwblokken en urban villa’s (een nieuw type in de jaren tachtig) aan fraaie waterpartijen aan het Marathonpad of parkachtige groenstroken aan Oxfordstraat liggen. De architectuur van de woonbuurten strookt met die in het Stadshart, met dat verschil dat in de echte ; binnenstad', het rijk van de voetganger en de gevelbeelden elkaar sneller afwisselen, dankzij de blokontwerpen door verschillende architecten. In het Stadshart is een 'eenheid in verscheidenheid' nagestreefd, zoals in historische binnensteden.

Hoewel de ruimtelijke opzet van het Stadshart nog duidelijk past in de kleinschaligheidsgedachte van de jaren zeventig en de ontwerpers verplicht waren de 'patronen' van het Stadsbeeldplan ook op gebouwniveau toe te passen, (zoals de arcades of wisselende gevelbeelden) behoort de architectuur over het algemeen niet meer tot deze stroming. Alleen het politie- en brandweerbureau en de Leliënborgh vertonen nog verwantschap met de kleinschalige architectuur van de stadswijken Buytenwegh de Leyens en Seghwaert. Weliswaar bestaat in de literatuur nog geen algemeen aanvaarde aanduiding voor de architectuur van de jaren tachtig, begin jaren negentig, en kan ook de verscheidenheid van de architectuurproducten in deze periode niet worden weggepoetst, toch laten de gebouwen uit deze periode zich duidelijk herkennen. Ten opzichte van de voorgaande periode van kleinschaligheid (of 'Nieuwe Truttigheid', zoals haar belangrijkste tegenstander, de Rotterdamse architect Carel Weeber het noemde) is de architectuur verregaand verzakelijkt en versoberd en van haar warme, gezellige imago ontdaan. De langdurige economische recessie van de jaren tachtig, ten tijde van de 'bezuigingskabinetten'.

Lubbers I en II, heeft hier voor een belangrijk deel aan bijgedragen. De vele kapvormen, bijzondere woningplattegronden of entreepartijen, overvloedig gebruik van hout en verschillende venstervormen in de gevel werden simpelweg onbetaalbaar. De omslag in het architectuurklimaat was echter minstens zo belangrijk. Bruine gevels maakten plaats voor abstracte witte, grijze of ‘'blonde' bak-, beton-, of kalkzandsteen, vaak in combinatie met kleurige kozijnen en deuren. Het gevelschema werd rationeel, vooral gebaseerd op repetitie van dezelfde elementen, zonder afwijkingen en de detailleringen worden grof tot ronduit bot (bijvoorbeeld balkonplaten en balkonconsoles zonder enige verfijning of afwerking). Grote in- of uitspringingen in de gevel, als balkonnen, erkers of loggia's, werden in de jaren zeventig nog verbijzonderd of in de gevelcompositie opgenomen, in de jaren tachtig werden deze elementen 'bloot' getoond, zoals ze zijn, in beton en vaak als los element aan of in de gevel. Nieuwe materialen als kunststof gevelplaten deden massaal hun intrede. Deze periode was tevens het hoogtepunt van de stadsvernieuwing, waarbij deze vorm van nieuwbouw dan ook veelvuldig is toegepast. Alle versobering van de architectuur ten spijt, het Stadsbeeldplan heeft van het Stadshart een uniek gebied gemaakt. De nauwe straatprofielen in contrast met de pleintjes, de bebouwde en onbebouwde ruimten die elkaars contramal vormen, de 'eenheid in verscheidenheid' en de afstemming van openbare inrichting en architectuur op elkaar scheppen een zeer consequent en goed herkenbaar stadsbeeld. Hoe snel architectuuropvattingen elkaar kunnen afwisselen is in het Stadscentrum goed afleesbaar aan ontwerpen van dezelfde architectenbureaus (Leo de Jonge Architecten, Kokon), die slechts enkele jaren na elkaar zijn gemaakt. Kort na de voltooiing van het Stadshart in 1990 breekt er een vrolijk postmodernisme door, eerst nog bescheiden in het Stadstheater, later steeds uitbundiger in woontorens, winkelgalerijen en op zijn uitbundigst in het bioscoopcomplex Utopolis. Onderstaand de belangrijkste gebouwen van het Stadscentrum.

De gemeente Zoetermeer heeft in de binnenstad twee belangrijke complexen gerealiseerd. De bouw van het in rode baksteen opgetrokken politie- en brandweerbureau, dat in januari 1980 in gebruik werd genomen, markeert het begin van de tien jaar durende bouwperiode van de binnenstad. Het is, conform de wens van de insprekers, strategisch gesitueerd aan de Europaweg, terwijl het vanaf de binnenstad makkelijk bereikbaar is. Hoewel het politiebureau op een stedenbouwkundig prominente plek ligt, telt het slechts drie lagen en een terugliggende afgeschuinde dakverdieping. Het ontwerp dateert al uit 1977-1978 en is van Gemeentebedrijven, afdeling architectuur en bouwkunde (architect Frans de Man). Het complex hoort met zijn afgeschuinde hoeken en plastisch gelede gevels tot de 'situatieve' kleinschalige architectuur die we bijvoorbeeld ook in de stadswijk Seghwaert aantreffen. Architect Frans de Man stond een vriendelijk 'kasteel' voor ogen met gemetselde dorpelstenen. Tussen de binnenplaatsen van de politie- en brandweerposten ligt een sportzaal die door beiden wordt gebruikt. De glazen, uitstulpende ingang van het politiebureau ligt op de overgang naar een lager bouwdeel, tegenover het Burgemeester Wegstapelplein. Het enige verticale accent is de tweeëntwintig meter hoge gedraaide bakstenen oefentoren waar de inwoners de brandweer kan zien oefenen op de omlopen.

De tweede grote gemeentelijke bouwopgave, afgezien van de parkeergarages en de verhoogde voetgangersniveau's, is het stadhuis annex hoofdbibliotheek. Aanvankelijk lag het in de bedoeling deze te koppelen aan een muziek- en activiteitencentrum. In 1980 werkten de toonaangevende architecten Sjoerd Schamhart (architect van het Algemeen RijksArchief in Den Haag), Jan Verhoeven en Ton Alberts (architect van de 'antroposofische' I.N.G. Bank in de Bijlmer) hieraan. De economische crisis sloeg echter toe en de kostbare ontwerpen van Alberts en Verhoeven werden vervangen door één sober en doelmatig plan van gemeentearchitect Frans de Man, die in zijn ontwerp razendsnel afscheid bleek te hebben genomen van kleinschaligheid. De realisatie van het theater werd op de lange baan geschoven. In oktober 1983 werd de eerste paal van het stadhuis geslagen en twee jaar later konden 300 ambtenaren er aan het werk. Aan weerszijden van Zuidwaarts liggen nu de belangrijkste publieksruimten van het Stadhuis en Hoofdbibliotheek die zich over meerdere lagen uitstrekt. Ook vanaf het perron van de halte Stadhuis kan men de boeken zien staan. Architect Reijnders van de N.S. is verantwoordelijk voor de vrolijk gekleurde gevel van de bibliotheek aan het perron. Hij paste daar glazen bouwstenen toe, omdat die goed bestand zijn tegen graffiti. Al snel bleek de ruimte te krap. Als raadzaal werd een deel van de kantine gebruikt. In 1987 werd begonnen met de aanbouw van een vleugel aan de bestaande overbouwing van de Frankrijklaan. Spoedig was er ruimte geschapen voor weer 150 ambtenaren en verscheen in de oksel van de aansluiting de raadszaal. Terwijl het betonnen frame van het eerste deel (aanvankelijk) met een donkere baksteen was gevuld, werd het strakke tweede deel in een lichte steen opgetrokken. De voorstellen van de architect om het stadhuis meer aanzien te geven, door het te voorzien van een vliesgevel, sneuvelden vanwege het beperkte budget. Toen rond 1990 de locatie van het nog te bouwen theater werd verschoven naar de Duitslandlaan kwam de oorspronkelijke plek aan de Engelandlaan vrij. Dura Bouw Rotterdam ontwikkelde hiervoor een plan voor een verhuurkantoor van zestien lagen, die windtunnelproeven doorstond. Het ontwerp van architectenbureau Groosman (projectarchitect Ron Forrer) omvat twee vleugels en een toren op de kruising. Het maakte het Zuidwaarts met een arcade af, evenals de 'poort' aan de zijde van de Markt. De gemeente ging nog tijdens de bouw tot aankoop van de toren over, omdat dit goedkoper was dan het huren van de benodigde kantoorruimte. Het gebouw werd opgetrokken in een zeer harde witte steen en dito voegwerk om vervuiling tegen te gaan en werd de architectuur aangepast aan die van het stadhuis. Doordat de hoeken uit het volume van de toren zijn weggehaald en door het aanbrengen van doorlopende glazen erkers toont hij slank. De bovenste verdiepingen zijn weer dichter waardoor het, in de woorden van de architect, een 'hoed' heeft. Een door de architect getekende dotterbloem op het dak, het logo van Zoetermeer, is er nooit gekomen. Als gevolg van bezuinigingen tijdens de bouw was het zeven jaar oude gebouw aan het Stadhuisplein al snel toe aan verbeteringen en reparaties. Het voornemen om de gevel in een lichte kleur te stukadoren leed schipbreuk op de verlangde garantie. Het bleef bij schilderen. Ook het interieur en met name de centrale hal onderging een restyling. De bouw van het Stadhuis in drie niet van tevoren geplande fasen heeft hier en daar een doolhofachtige plattegrond opgeleverd die wel past bij het organische karakter van de binnenstad.

Het Rotterdamse architectenbureau Van den Broek en Bakema, die een wereldnaam had verworven met de Lijnbaan, beet het spits af van dit geheel anders opgezette winkelwoon- en werkcentrum. Twee verschillende architecten van dit bureau, De Groot en Stokla, ontwierpen de beide tegenover elkaar liggende blokken aan de westelijke ingang. Het blok waarin de KonMar is gehuisvest heeft een uitzonderlijk functionele opbouw. De levensmiddelensuper is 'gesandwiched' tussen parkeergarages, terwijl aan het Westwaarts boven de winkels zowel kantoren als bioscoopzalen werden gehuisvest. Het blok dat wordt omsloten door het Burgemeester Wegstapelplein, Brusselstraat, Hogerop en Promenade is een van de interessantste van de binnenstad. Dit door Leo de Jonge Architecten (projectarchitect Ton Remmers) ontworpen veelhoekige blok toont aan alle kanten een verschillend gezicht. Dit Rotterdamse bureau had zijn sporen verdiend in de Zoetermeerse nieuwbouwstadswijken en in de stadsvernieuwing. Het blok heeft als bijzonderheid een 'binnenleven' op de Plaats en een 'onderleven' als verbinding op het maaiveld tussen het Onderlangs en de Nederlandlaan. Wisseling in kleur baksteen van lichtrood naar lichtgeel, wisseling in bouwhoogte van vier naar drie lagen, afwisseling in bestemming (winkels, horeca, wonen en kantoren) verlevendigen het straatbeeld, ondanks het feit dat het hele plan op een stramienmaat van 5.40 meter is opgezet. Het hoogteverschil op de Plaats is benut door er een verhoogd terras en een kinderspeelplaats met lange glijbaan aan te leggen. Een punt van kritiek is dat één zijde van de Plaats wordt gevormd door dichte achterkanten van winkels aan de Promenade. Ook bebouwing aan de oostzijde van Noordwaarts is van dezelfde architect. De strook vertoont functioneel dezelfde opzet, maar is veel rechtlijniger uitgewerkt. Onderdoor loopt de Amsterdamstraat, op voetgangersniveau liggen er winkels aan arcades langs het park en daarboven twee of drie lagen met flats. De architectuur is er strak. Ook hier keert het in de stadsvernieuwingsarchitectuur veel voorkomende motief van de al te zwaar gedetailleerde afgeronde, terugliggende balkons terug, die het onveranderlijk in tinten lichtgeel en wit gekleurde gevelvlak eenduidig ritmeren.

'Stadshart overdekt!' luidde de juichkreet van het blad Zoetermeer Stad in maart 1990 bij deze tekening van de Engelse interieurarchitecten

De indrukwekkendste plek van de binnenstad is de Stadstuin, dat aan vier zijden totaal verschillend is bebouwd. Het in één symmetrisch gebaar ontworpen Europe Palace sluit het parkgebied radicaal af van de Europaweg. Het is in 1989-1990 ontworpen door Henk Klunder Architecten in een voor Zoetermeer ongewone monumentale stijl. Het in opdracht van I.B.C. Vastgoed gerealiseerde verhuurkantoor van zes lagen op een onderbouw vertoont een doorlopend verticaal reliëf. Van de beide geprojecteerde zijvleugels is alleen die aan het Noordwaarts uitgevoerd, waardoor er aan de andere kant nog steeds een leegte gaapt. Toen medio 1992 bekend werd dat de Centrale Recherche Informatie (C.R.I.), waaronder Interpol, het gebouw zou betrekken, leidde dat tot protesten tegen de nodige aanpassingen en functiewijzigingen. Door het dichtzetten van de boog op de begane grond en het schrappen van showroom- en horecafuncties vreesde een indiener van een bezwaarschrift niet ten onrechte dat het gebouw als een 'bunker' de relatie tussen Stadshart en de overzijde van de Europaweg zou blokkeren. Er was natuurlijk ook vreugde over de vele honderden arbeidsplaatsen die 'het grootste datacentrum dat ooit aan de overheid is geleverd' verschafte. Aan de oost- en westzijde van de Stadstuin staan flatgebouwen, ontworpen door het Rotterdamse bureau Kokon Architecten en Ingenieurs. De wat plompe toren van twaalf hoog herbergt 71 woningen en enkele winkels. De monochrome kolos is in het midden van de jaren tachtig ontworpen door Frans van der Seyp in opdracht van Sociaal Fonds Bouwnijverheid. Tien jaar later heeft de architectuur van het bureau een verjongingskuur ondergaan. Projectarchitect Kees van den Broek heeft zich bij het ontwerp van de toren aan de overzijde van het park, bestaande uit 76 koopappartementen op 22 lagen, laten inspireren door avantgardistische voorbeelden uit de jaren twintig van de vorige eeuw, met name van de visionaire Russische architect Chernikov. Het Russische voorbeeld is vertaald in een toren die op zijn grondvlak van zeshonderd vierkante meter toch slank oogt. Dit wordt bereikt door het toepassen van in- en uitspringende verticale schijven die worden 'doorboord' door horizontale plakken. Twee rode en twee witte schijven rijzen omhoog aan weerszijden van een beglaasd trappenhuis aan de oostzijde en balkons steken uit aan de westzijde. De horizontale raampartijen en balkons van wisselende lengte verlevendigen het beeld. De strakke en ruime plattegronden passen twee aan twee als gegoten op een verdieping. Deze geslaagde wolkenkrabber aan een binnenstadspark roept een prettige herinnering op aan Central Park in New York. Dit is stedelijkheid op zijn best. Aan de noordzijde van de Stadstuin lag tot voor enkele jaren nog een bouwterrein braak tussen de Kijkshop aan het Noordwaarts en de C&A aan Het Rond. In 1997 ontwierp Leo de Jonge Architecten (projectarchitect J.A.J.M. de Moor) voor deze plek een elegante winkelgalerij op voetgangersniveau, die tussen twee driehoekige paviljoens uitziet over het park. Op de winkels met twee lagen, die worden bevoorraad vanaf het maaiveld, liggen een tiental patiowoningen, die met een lift en trappen via een galerij ontsloten worden vanaf het maaiveldniveau. Hoewel de winkels op het noorden liggen, is er een aantrekkelijke promenade langs het zes meter lager gelegen park ontstaan. De architectuur met grote glazen puien over twee verdiepingshoogten, ranke stalen kolommen die de dakverdieping schragen, doen weldadig aan na de vele zware betonkolommen en wat donkere arcades in de 'oude' binnenstad.

In het Stadshart zijn de woningen oorspronkelijk over het algemeen opgenomen in de blokken boven de winkels. Een uitzondering is het gedeeltelijk over de spoorlijn gebouwde complex tussen de Engelandlaan en de Amsterdamstraat. Het in 1984 ontworpen gebouw naar ontwerp van architect P. de Windt) voor en door de Woningfederatie Zoetermeer werd goedgekeurd omdat het de woningdichtheid van de binnenstad opvoerde. Het bevat 50 tweekamerwoningen aan galerijen verdeeld over twee torentjes van zes en acht lagen. De woningen boven de spoorlijn zijn in Nederland nog steeds zeer ongewoon. In de Kern Zuid werden in 1984 door ontwikkelaar Amstelland in de zogenaamde westen oostlob aan weerszijden van de Markt woningbouwplannen ontwikkeld (614 woningen, waarvan meer dan de helft hoogbouw) naar de ontwerpen van Van Aken Architectuur & Stedebouw uit Eindhoven, Inbo en A.G.S. . De geknikte flat aan het Dobbepark en de Dobbeplas, naar ontwerp van architect Van Aken, buigt bij de Markt de hoek om en vormt daar een wand van zeven lagen. De geheel in crème-wit gestoken betonnen portiekflats hebben niet alleen gebogen balkons, maar ook de traveeën worden boven beëindigd met een halve cirkel uitgespaard in beton. In de zone langs de Europaweg staan overwegend kantoren en parkeergarages, maar daar pal achter ook enkele opmerkelijke woongebouwen. Op de hoek aan de Duitslandlaan en de Luxemburglaan verscheen in 1985 een uit de kluiten gewassen U-vormig appartementencomplex aan een verstilde binnentuin. In opdracht van N.V. Bouwfonds Nederlandse Gemeenten heeft de in het westen van het land nauwelijks bekende Studio voor Architectuur en Stedebouw Ir. Bart Wauben uit Geleen een ontwerp getekend voor 206 bejaardenwoningen. Het plan bevatte tevens een beheerderswoning, bergingen en een recreatieruimte. Aan de binnenstadszijde bereikt het een hoogte van acht lagen. Twee zadeldaken benadrukken de nagenoeg symmetrische opzet van de gevel, die wordt geleed door twee-aan-twee gekoppelde, terugliggende balkons. Dit complex met de naam Leliënborgh is een laat voorbeeld van de kleinschalige jaren zeventig stijl, terwijl het toch in staat is met kantoorgebouwen een stevig gesloten bouwblok rond een semi-openbare verstilde binnenstadstuin tussen de Europaweg en de Duitslandlaan te vormen. In het stadscentrum werd aanvankelijk een maximale bouwhoogte aangehouden van twaalf lagen, maar in de jaren negentig werd dit maximum verlaten. Tegenwoordig juicht Zoetermeer zelfs hoogbouw tot 150 meter toe. Tussen de Duitslandlaan en de Berlijnstraat ontwierp Cees Reijers Architecten uit Delft in 1996 in opdracht van I.B.C. Vastgoed een waaiervormige toren met 21 lagen die met zijn voeten in een waterpartij staat. Aanvankelijk was het de bedoeling dat het bouwblok aan de Duitslandlaan zou worden gesloten met een woongebouw met veertig appartementen. Reijers was niet gelukkig met het uitzicht op een parkeergarage en ondernam een studie naar hoogbouw, waarin het water een prominente rol zou kunnen vervullen. In hoogbouw kon het aantal appartementen worden verhoogd tot 82, zodat de grondkosten voor de aanleg van de waterpartij en de brug erover konden worden terugverdiend. De driekamerappartementen liggen vervat tussen vier uitwaaierende schijven met ieder een balkon op de zon. De schijven verschillen in hoogte en kleur, waardoor een levendige massavorming ontstaat. De entreebrug treft het gebouw in het midden van een tweelaagse onderbouw, waarin bergingen en commerciële functies zijn ondergebracht.

Voor het Stadstheater zijn vanaf 1978 vele plannen voor vele plekken gemaakt, eerst door de bekende Haagse architect Sjoerd Schamhart, later door zijn opvolger Hans van Beek werkzaam bij Atelier Pro). Ooit zou het theater komen op de plek waar nu de stadhuistoren staat en nog in 1989 werd er een futuristisch plan bedacht om het in de Grote Dobbe te leggen, maar de hand bleef op de knip. Het Stadstheater kon pas worden gebouwd toen het programma van eisen en de ligging helder waren en de financiering rond. De verkozen ligging tussen de Duitslandlaan en het Oostwaarts bood architectonische mogelijkheden vanwege het hoogteverschil. Door het theater zowel op het maaiveldniveau als het opgetilde voetgangersniveau van een entree te voorzien is het opgenomen in een stedelijke routing: binnen foyer en theatercafé, buiten Theaterplein en Oostwaarts. De niveauverschillen worden overwonnen door parallelle trappen binnen en buiten, die van elkaar zijn gescheiden door een imposante glazen pui over twee verdiepingen. Het theater van Atelier Pro wordt aan twee zijden gevat in geperforeerde zware atracietgrijze baksteenmuren en aan de derde zijde door een vierlaags kantoorgedeelte in licht stucwerk langs de Duitslandlaan. De zaal en toneeltoren verheffen zich hierboven en zijn bekleed met zilverkleurige staalplaten. De manier waarop het gebouw verbonden is met de stedelijke structuur en de toevoeging van extra programma (hier een kantoorvleugel) om die verbinding te versterken zijn typerend voor het werk van Atelier Pro, van het stadsvernieuwingsproject aan de Haagse Katerstraat tot aan de Haagse Hogeschool achter het station Hollands Spoor. De grote zaal (700 zitplaatsen) is op een ingenieuze wijze geschikt gemaakt voor toneel en muziek, doordat de toneelopening variabel is en de orkestbak beweegbaar. De plattegrond met twee rechthoekige zalen, toneel, foyer en theatercafé op de verdieping is van een verbluffende eenvoud. Overigens verdient het voorplein voor de hoofdingang beter dan uitzicht op laad- en losplaatsen en donkere overdekte parkeerplaatsen, een situatie die na nieuwbouw op de plaats van de gesloopte P.W.A.-hal stellig zal verbeteren.

In de jaren negentig groeide Zoetermeer uit de Promenade Bioscoop aan het Westwaarts, die in 1986 was gestart als bijzondere servicebioscoop. In 1996 werd door Hopman Projectontwikkeling het plan opgevat om een heuse megabioscoop neer te zetten. De locatie achter het Stadstheater tussen de Duitslandlaan, het Oostwaarts en de Denemarkenlaan was hiervoor uitermate geschikt. Het programma omvat acht zalen, verhuurbare ruimten en een parkeergarage voor 580 auto's. Het ontwerp van Groep 5 Architecten en stedenbouwers benut de ligging op de vooruitgeschoven kop van de binnenstad ten volle. De verschillende schuine en gekromde vlakken trekken de aandacht. Bovendien corresponderen ze met de functies die er achter schuil gaan. Een reusachtig uitvergrote krullende filmstrook van melkglas duidt de acht zalen en hun foyer aan. Daarvoor hangt nog een gekromd scherm met drie kleuren leien. Door het schuine, gele vlak van geperforeerd staalplaat ontwaart men aan de Duitslandlaan de vijf neutrale vloervelden van de parkeergarage. Volgens de projectarchitect C. Zwiers functioneert het gebouw 'als generator van nieuwe ontwikkelingen, waarbij architectuur wordt ingezet om emoties en zintuigen te prikkelen'. Ook binnen wordt deze architectuur als entertainment ingezet. Interieurarchitect Alexander Nowotny heeft van het interieur een 'beloopbare film' gemaakt. Tegen een donkerpaarse achtergrond treden de lichte bar en zitmeubels naar voren die fungeren als filmcoulissen: de megabioscoop als katalysator van massavermaak.

Bron: Gemeente Zoetermeer, De Gave Stad

De ontwikkeling
in de stadswijk Stadscentrum
De historische infrastructuur
in de stadswijk Stadscentrum
De ruimtelijke opzet
in de stadswijk Stadscentrum
Het groen en water
in de stadswijk Stadscentrum
 
De architectuur
in de stadswijk Stadscentrum
De recente ontwikkelingen
in de stadswijk Stadscentrum
De bijzondere kwaliteiten
van de stadswijk Stadscentrum