De stadswijk Seghwaert - de architectuur

'Met deze nieuwe stijl, de Truttigheid, waarbij de kleinschaligheid wordt gerepresenteerd door structurele onduidelijkheid, onruimtelijke objectmatigheid, willekeurig vormgebruik, ongenuanceerde springerigheid, het gebruik van kappen in alle mogelijke richtingen en 'natuurlijke aardse' kleuren en materialen, één en ander gedekt door inspraak, is het bouwproduct gereduceerd tot maatschappelijk verdovingsmiddel. De verdoofde en verdovende architect, in zijn rol van dealer, laat zijn product via het inspraakorgaan van de toekomstige bewoners bezorgen'.

De architect Carel Weeber lanceerde in 1979 in het artikel 'Geen architectuur zonder stedebouw', waar dit bovenstaande citaat uit afkomstig is, het begrip (Nieuwe) 'Truttigheid', waarmee hij de architectuur en stedenbouw van de kleinschaligheid een gevoelige klap toebracht en het voorzag van een welluidend predikaat dat ook nu nog, meer dan twintig jaar later, wordt gebruikt om de producten van de jaren zeventig mee aan te duiden. De kritiek van Weeber, die door vele vakgenoten werd gedeeld, sneed zeker hout: de 'herbergzame' stadswijken waren vaak 'verdwaalwijken' en de architectuur raakte maar al te vaak verzeild in een vormwil die nog maar weinig te maken had met het degelijk en functioneel ontwerpen van een woning. Toch zijn de jaren waarin de stadswijk Seghwaert werd ontworpen en gebouwd ook die van het bijna onbegrensd experimenteren met nieuwe woningplattegronden, woningprogramma's (H.A.T.-eenheden, uitbreidbare woningen), verkavelingsstructuren, nieuwe bouwmethoden (houtskeletbouw) en gevelschema's, dit alles ondersteund door een uitgebreid apparaat aan rijkssubsidies, onderzoeksprogramma's en -instellingen. Het heeft in de stadswijk Seghwaert, meer nog dan in de stadswijken Meerzicht en Buytenwegh de Leyens, een grote diversiteit opgeleverd aan architectonische producten die niet alleen maar in termen van truttigheid kunnen worden beschreven, maar die ook eigen kwaliteiten hebben.

Net als de oud-Hollandse stadjes, waar de stadswijk Seghwaert zo graag een nieuwe interpretatie van wilde zijn, wordt de stadswijk eerst en vooral gekenmerkt door 'eenheid in verscheidenheid'. Nergens zijn er grote breuken of buurten die er ruimtelijk of visueel 'niet bij horen'. Dit is vooral te danken aan de eenheid in kleur en materiaalgebruik (bruintinten, baksteen al dan niet in combinatie met hout), en overeenkomsten in vormtaal. Kappen in allerlei soorten en maten, maar vooral a-symmetrisch, bepalen voor een belangrijk deel het beeld van de architectuur. De kappen reiken vaak tot op schouderhoogte, waardoor de architectuur erg 'aanraakbaar' (zelfs 'boerderijachtig') wordt. In- en uitspringende volumes, zoals terrassen, balkons, teruggelegde entreepartijen en bergingen zijn standaard, evenals verschillende venstervormen en -grootten in één en dezelfde gevel. Ook aan de overgangen tussen openbaar en privé zoals bordestrappen en portieken werd vaak uitgebreid aandacht besteed.

De Gaarden

Naar Seghwaertse maatstaven is het project langs de Sinaasappelgaarde en het noordelijk gedeelte van de Pruimengaarde bepaald niet groot: 37 woningen. Maar het is wel opvallend vanwege het type woningen en de hoge architectonische kwaliteit. Het is in 1976/1977 ontworpen door de architecten Hornstra, Verschoor en Key uit Den Haag, in opdracht van de bouwfirma Bontenbal, die ook elders in de stadswijk Seghwaert en Zoetermeer veel heeft gebouwd. De vijf blokken, waarvan er drie fraai grenzen aan het water en twee aan de Gaardedreef, bestaan uit vrije sectorwoningen, van een type dat gerust als 'modern herenhuis' kan worden omschreven. Het zijn alle split-level woningen. Dit type werd al in de jaren zestig door het beroemde Rotterdamse architectenbureau Van den Broek & Bakema in Nederland geïntroduceerd, maar ook in de jaren zeventig werd er driftig mee geëxperimenteerd. Later is het type vrijwel verdwenen, omdat het hoge bouwkosten met zich meebracht. In deze woningen is er niet alleen split-level op de begane grond, maar ook over de volle hoogte van het huis, zodat alle vloeren van het 'achterhuis' een halve verdieping hoger liggen (of lager, afhankelijk van het type) ten opzichte van die van het 'voorhuis'. Er zijn meerdere varianten gerealiseerd. De nummers 17 tot 31 zijn van het drive-in type met een uitgebouwde garage aan de achterkant en een hoger liggend voorhuis. Op de garage bevindt zich een riant dakterras, ter grootte van een tuin. Dit type is zeer hoog, het heeft vier woonlagen (of zeven in de split-leveltelling). In het naastgelegen blok ligt juist het achterhuis hoger en is er wel een tuin. Deze ligt hoger dan de (achter)straat en wordt ontsloten met een trap, die ingeklemd zit tussen twee bergingen. De architectuur oogt vooral aan de achterkant bijzonder riant. De voorgevel is streng en stijlvol. In het type met het verhoogde voorhuis wordt er een fraaie ritmiek in de gevel aangebracht met behulp van bordestrappen met luifels. De smalle beuken van de woningen liggen iets terug en hebben een houten invulling, eveneens met luifels. De schuine kap is op geregelde plekken verhoogd, waardoor er een kenmerkend silhouet ontstaat. Het is nu nauwelijks meer voor te stellen, maar toen het project werd gerealiseerd, waren de woningen moeilijk aan de man te brengen, zoals dat het geval was bij veel vrije sectorwoningen in de stadswijk Seghwaert. Enkele van deze woningen zijn zelfs nog een tijdlang gekraakt geweest.

De Akkers

In 1979 werden in het buurtje van de Haverakker en omgeving door architectenbureau Frans van Dillen en Rien Ogier uit Rosmalen 94 premiekoopwoningen ontworpen, waarvan 22 gestapeld en 72 grondgebonden, in opdracht van ontwikkelaar J. Schouten uit Leidschendam. Om te voldoen aan de vereiste hoge woningdichtheid (55 woningen per hectare) en de bezonningsnormen hebben de architecten vijf zogenaamde 'dubbelstructuren' ontworpen. Dit zijn eenheden van twee woningstrookjes die tegen elkaar aan zijn geschoven, 'rug-aan-rug'. De vier noord-zuid gerichte 'dubbelstructuren', tussen de Mosterdakker en Erwtenakker, hebben alle een tuin op het zuiden, maar de tuin van de noordstrook (eigenlijk een terras) is opgetild en bevindt zich ter hoogte van de eerste verdieping. De zuidstrook, één verdieping lager dan de drielaagse noordstrook, is hier onmiddellijk tegenaan geschoven en heeft een volledig blinde noordgevel. De vereiste woningdichtheid en de strenge parkeernorm hielden het gevaar in dat het openbare gebied vol met auto's zou komen te staan. Daarom zijn enkele noordstroken uitgevoerd als drive-in woningen. Door de compactheid van de dubbelstructuur ontstaat aan de zijkant een zeer kenmerkend silhouet van 'opkijkende' blokjes. Ook de architectuur van de noordstroken is bijzonder: de 'plint' met de garage- of entreedeuren is teruggelegd ten opzichte van de gevel daarboven. De gevel is vrij gesloten, maar de weinige vensters zijn op zo'n speelse en ritmische wijze in de gevel gecomponeerd, dat zij een decoratieve functie hebben gekregen. Het flauwe dak draagt bij aan de 'eigenwijze' uitdrukking van deze architectuur. Het oost-west gerichte blok langs de Akkerdreef is van het woondektype, waar de stadswijk Meerzicht de landelijke primeur voor had. Later is hierop gevarieerd in de stadswijk Buytenwegh de Leyens, waar de woondekken van architect Sterenberg en architectenbureau Inbo zijn verrezen. De woondekken zijn een voorbeeld van het zogenaamde 'dubbel grondgebruik', waarbij de woningen over de parkeerplaatsen heen zijn gebouwd, om ruimte te besparen en het openbare gebied zo veel mogelijk vrij te houden van geparkeerde auto's. Op het dek zijn geen loopstraat of woningentrees te vinden, zoals bij de woondekken in de stadswijken Meerzicht en Buytenwegh de Leyens, maar privé-terrassen. De dubbelstructuren en het overdekte parkeren hebben tot zo'n compacte buurt geleid, dat de dichtheid niet 55, maar 63 woningen per hectare is geworden, inclusief een centraal groengebied van ruim 1100 vierkante meter. Toch oogt het buurtje open en groen.

De woningen aan de Roggeakker, in het uiterste noordoosten van de stadswijk Seghwaert, zijn gebouwd door architect Jan Verhoeven uit Hoevelaken. Hij wordt gerekend tot het structuralisme, een Nederlandse architectuurstroming die uitging van het opdelen van grote gebouwen in zorgvuldig beredeneerde kleinere en identieke modules, die aan elkaar gekoppeld konden worden. Het toekomstige gebouw van de A.I.V.D. aan de Europaweg in de stadswijk Buytenwegh is zo'n structuralistisch gebouw. Verhoeven werd in zijn tijd op één lijn geplaatst met andere structuralisten als Herman Herzberger, Theo Bosch en Piet Blom. Hij was nauw betrokken bij de Stichting Nieuwe Woonvormen, die experimenteerde met nieuwe woningtypen. Hij heeft meerdere spraakmakende projecten op zijn naam staan, onder andere in zijn woonplaats Hoevelaken en in Berkel en Rodenrijs. Dit grote complex van 97 huurwoningen, gebouwd in 1979 in opdracht van de Woningfederatie Zoetermeer, is eveneens opmerkelijk. 'Een stad in een stad', zoals een voormalige Zoetermeerse stedenbouwkundige het in een vraaggesprek uitdrukte. Het project kent zeer veel woningtypen, van H.A.T.-eenheden tot vijfkamer-eengezinswoningen. Alle woningen zijn aan elkaar geschakeld, zodat zij tezamen één groot gebouw vormen, een oplossing die in de stadswijk Seghwaert niet vaak voorkomt. Door zijn meanderende hoofdvorm oogt het echter niet als één groot volume, maar als verschillende aan elkaar gebouwde hoven. Dit is kenmerkend voor het structuralisme. Het complex heeft een boeiend silhouet: vleugels van twee en drie lagen (plus kap) wisselen elkaar af. De begane grond van de drielaagsvleugels bestaat uit garages en bergingen. Waar de vleugels op de hoeken elkaar ontmoeten zijn in de 'oksel' grote terrassen geplaatst. De kopgevels van de vleugels hebben op deze plek een halve tuitgevel, die precies op de knik gezien weer een hele geveltop vormt. Deze tuitgevels (het geveltype van een Amsterdams pakhuis) zijn zeer karakteristiek voor dit complex, zeker in combinatie met de flauwe dakhelling. Eveneens karakteristiek is de indeling van de gevel door middel van verticale houten stroken die naar boven toe breed uitlopen, trapsgewijs. Dit motief komt overal in het complex terug en geeft een duidelijk ritme aan de gevels. De blauwe kleur van de stroken steekt vrolijk af tegen de bruine baksteen. De 'brug' is het meest opmerkelijke onderdeel van het complex. Deze vleugel staat op betonnen pijlers en overspant een singel die apart is gegraven voor dit project. Twee hellingbanen aan beide zijden van het bruggebouw, die door 'poorten' in de oost-west gerichte vleugels voeren geven toegang tot de loopbrug op niveau 1. Op de loopbrug zijn bergingen geplaatst die, heel opmerkelijk, tevens toegang geven tot de woningen erboven. Er zijn slechts zes woningen in de 'brug' van elk drie verdiepingen hoog. In de oorspronkelijke plannen was het complex groter: aan de westzijde van de brug was eveneens een grote hof ontworpen, met koopwoningen. Als gevolg van de instortende woningmarkt begin jaren tachtig werd dat gedeelte niet gebouwd. Nog steeds ligt de plek er wat verloren bij en dat geeft het woningcomplex van Verhoeven aan deze kant een 'onaffe' indruk. Momenteel zijn er renovatieplannen opgestart, waarbij onder andere garages of bergingen in ateliers worden omgezet.

Niet ver hier vandaan bevindt zich het eveneens zeer opvallende project 'met de rode daken' aan de Radijsakker en omgeving. Het is een complex uit 1982, ontworpen door het Haagse architectenbureau Den Dulk en Westerduin in opdracht van de aannemer Groen en Bregman uit Benthuizen. Het complex van negentig woningen bestaat uit een aaneenschakeling van bouwvolumes met steile rode puntdaken, die afwisselend voor of achter de rooilijn liggen. Deze bouwvolumes doen denken aan traditioneel Nederlandse stadshuizen, diep en smal, met hoge voorgevels, afgesloten met een top. En daar houdt de historische vergelijking niet mee op. De panden vormen, net als in een historische binnenstad, volledig omsloten binnenterreinen, drie in getal. Deze hoven zijn klein, intiem en zijn eigenlijk te vergelijken met traditionele hofjes. Zij kunnen betreden worden via onderdoorgangen in de hoeken van de bouwblokken. Dergelijke volledig omsloten hofjes komen elders in de nieuwe stadswijken van Zoetermeer niet voor. De compositie van de gevels is speels en de architectuur is zorgvuldig en rijk gedetailleerd. Zoals gebruikelijk voor de architectuur uit deze periode komen in één en dezelfde gevel verschillende venstervormen en -groottes voor. Vooral de vensters die 'de hoek omgaan' als ook de langwerpige en smalle vensterstroken, die de topgevels van de begane grond tot aan de nok als een naad in tweeën delen, geven deze architectuur 'pit'.

De Parken

Zo goed als de koepelwoningen van architect Benno Stegeman het beeldmerk zijn van de stadswijk Meerzicht en de lange woondekken die van de stadswijk Buytenwegh, zo hangt het architectonisch visitekaartje van de stadswijk Seghwaert over het water van de Vissendreef. De vier fotogenieke houten 'uitbuikingen' boven het water horen bij een project van zes woningen uit 1978 van de architect Ben Kraan uit Bodegraven. Het is een eigenbouwproject, dat wil zeggen dat de bewoners ook opdrachtgever waren. De woningen zijn gebouwd in houtskeletbouw. Dit is een bouwmethode waarbij alle dragende delen boven de fundering, zoals muren, vloeren en kapconstructie, zijn gemaakt van hout. Dit vormt het skelet van het gebouw. De binnenkant van het skelet en de plafonds bestaan veelal uit gipsplaten. Tussen gipsplaten en skelet worden vocht en geluidsisolerende materialen aangebracht. De buitenkant van de woningen kan uit hout, steen of een combinatie van beide bestaan. Landen als Canada en Zweden hadden een lange traditie in houtskeletbouw, maar in Nederland werd er pas vanaf de jaren zeventig voorzichtig mee geëxperimenteerd, één en ander ondersteund door het onderzoek van de Stichting Bouwresearch. Veel gemeenten waren onwennig met deze bouwmethode. Men schatte het gevaar voor brandoverslag hoger in en was bang voor minder stevige constructies. Ook de gemeente Zoetermeer was bij de bouw van deze woningen 'op zijn hoede'. Er werden veel aanvullende eisen gesteld, bovenop de standaardvoorschriften van de Stichting Bouwresearch, hetgeen leidde tot een nogal moeizame totstandkoming van het project. De bewoners en de ontwerper waren in ieder geval erg gecharmeerd van houtskeletbouw. 'Je woont veel behaaglijker in een huis dat uit hout is opgetrokken', meende de architect. ‘Bovendien, en dat wordt steeds belangrijker, is hout erg milieuvriendelijk'. Daarbij kunnen houtskeletbouwwoningen, dat was een belangrijk argument in deze jaren van zelfontplooiing, makkelijker door de bewoners aan nieuwe woonwensen worden aangepast dan betonbouw.

Zes woningen zijn in een haak gebouwd. De drie woningen met de smalle uitbuikingen over het water hebben hun entree aan het Wingerdpark, de drie andere woningen hebben de voordeur in het steegje in het verlengde van de houten brug. De woningen hebben een ingenieuze plattegrond vol met ruimtelijke verrassingen. De doorsnede heeft een honingraatachtige opbouw met in elkaar grijpende veelhoeken. Het ziet er in doorsnede meer uit als een ruimteschip dan als een woning. De woningen aan het water zijn zowel in de lengte- als in de breedterichting in tweeën gedeeld. Zij zakken mee met de dalende oever, waardoor de woonkamer aan het water lager ligt dan het gedeelte aan de straatkant. Het split-levelprincipe is doorgezet in het dak: er zijn twee kappen waarvan de kap aan de straat hoger ligt dan die aan het water. Ertussen ligt een dakterras. Bijzonder is ook de schoorsteen: deze is gemeenschappelijk voor zowel de open haard in de woonkamer als die van het buitenterras aan het water. Zijn de gevels aan de waterzijde zeer sprekend, aan de kant van het Wingerdpark zijn zij bijzonder complex en is het moeilijk te zien waar de ene woning begint en de andere ophoudt. De gevels gaan zelfs naadloos over in die van het aanpalende eigenbouwproject van vijf woningen. Ook dit is houtskeletbouw van dezelfde architect. Deze eveneens riante woningen hebben aan de waterkant een heel andere opzet. Zij hebben een grote naar het water aflopende tuin en de achtergevel is een aaneenschakeling van aan-, uit- en opbouwen, zodanig dat een hoofdvorm moeilijk is te onderscheiden.

Iets verder naar het noorden staat een ander veel groter houtskeletbouwproject. Langs het Vuurdoornpark, Seringenpark en Brempark zijn acht blokken gerealiseerd met 71 woningen, ontworpen in 1978 door architectenbureau Passchier en Van den Steen uit Rotterdam in opdracht van Westland Utrecht Projectontwikkeling. Het zijn voor het merendeel eengezinshuizen van drie lagen hoog, maar er is ook gestapelde bouw. Er is geen twijfel mogelijk dat het hier om houtskeletbouw gaat. Vrijwel alles aan de buitenkant is van hout: de gevelbekleding (Western Red Cedar), maar ook het trappenhuis van de buitentrap voor de bovenwoningen, de erfafscheidingen, de balkons, de terrassen en zelfs de dragende kolommen van de begane grondarcade. Het is kenmerkend voor de architectuur van dit Rotterdamse architectuurbureau, waar men vond dat de constructiewijze van een gebouw ook aan de buitenkant moest zijn af te lezen. De blokken hebben een bijzonder robuust karakter, de houtmaten zijn fors, de balkons en terrassen zijn hoekig, de gevels gesloten en vrijwel alle daken plat. De architectuur is bonkig te noemen, maar heeft stijl, omdat het consequent en 'kloppend' is vormgegeven. Hier en daar zijn de woonblokken ronduit 'vreemd', zoals bij de dubbele driehoekige entreepartijen in het blok aan het Brempark en bij het complexe hoekontwerp aan het Park Seghwaert. In het ontwerp is ook veel aandacht geschonken aan wat men 'gebruiksesthetica' zou kunnen noemen: functionele elementen aan een gebouw, die zo zijn vormgegeven dat zij onvermijdelijk het beeld oproepen van comfort en riantheid, zoals in dit geval de grote terrassen, de carports en de ruime voortuinen. Het zo veelvuldig aanwenden van 'gebruiksesthetica' voor het ontwerp is overigens typerend voor de jaren zeventig (denk aan de gekoppelde binnen-buitenhaard bij de houtskeletbouw aan de Vissendreef).

De dichtheid aan bijzondere woongebouwen in dit gedeelte van de stadswijk Seghwaert is hoog, want direct naast de houtskeletbouwwoningen, tussen het Clematispark, Ligusterpark en Weteringdreef staat een groot vlindervormig wooncomplex van het architectenbureau Werkgroep Brinkman uit Middelharnis. Het is gebouwd in 1979 in opdracht van bouwen aannemingsmaatschappij Boogaerdt & Schmidt uit Stolwijk. Het complex telt 49 koopwoningen waarvan twaalf milieuwoningen langs het Ligusterpark. Milieuwoningen waren nieuw in de late jaren zeventig en ook op dit terrein werd er geëxperimenteerd. Deze woningen aan de zuidkant van het complex werden voorzien van zonnepanelen op het schuine dak, (ze zijn er nog steeds) en waterreservoirs op zolder en in de kelder. De overige woningen hebben geen zonnepanelen, maar wel kelders om op termijn eveneens waterreservoirs te kunnen plaatsen. De woningen in dit complex zijn uitgevoerd als split-leveltypes met in de lage vleugels eengezinswoningen en in de hoge maisonnettes. Geheel eigen aan de tijd waarin het complex werd gebouwd werd geld noch moeite gespaard om het parkeerprobleem zo elegant mogelijk op te lossen. In het binnenterrein werd een halfverdiepte, ruime parkeergarage aangelegd voor 26 auto’s. De garage deelt het binnenterrein door midden. Een deel van het dak van de garage wordt gebruikt voor privéterrassen en op het middendeel is een gemeenschappelijk terras met bloembakken aangelegd als een verhoogd woonerf. In het bruine, rijkelijk met kappen bedeelde stadswijk Seghwaert valt dit woningcomplex vooral op door zijn lichtgrijze gevels van kalkzandsteen en de typische cascade-achtige platte daken met dikke betonranden. De kleur is een voorbode van de jaren tachtig, de tijd waarin lichte steensoorten bij architecten zeer populair werden. De buitentrappen en zeker ook de gespiegelde schoorstenen bij de doorgangen naar het binnenterrein zijn zeer expressief en lijken geïnspireerd te zijn op de monumentaliteit van de Amsterdamse School uit de jaren twintig en dertig.

De Vaarten

In het stedenbouwkundige plan stond de klassieke hollandse gracht model voor de Violiervaart en hier waren de bebouwingseisen ook op afgestemd: de woningen dienden een min of meer individuele uitdrukking te krijgen, door middel van een topgevel en een kap haaks op de straat. Langs de hele vaart, op één stuk na, staan dergelijke woningen, maar die aan de noordzijde van het water op de nummers 24 tot en met 36 bepalen het beeld in hoge mate. Deze woningen zijn gebouwd door 'Projectgroep Wonen III', zoals het indertijd prozaïsch heette, een samenwerkingsverband van tien gezinnen die als vereniging in 1976 de opdracht tot het ontwerp gaf aan de architecten Martin Kerstjens en Jac. Teeuwisse uit Zoetermeer. In elk deelplan van de stadswijk Seghwaert was ruimte voor eigenbouwers (of 'groepsbouwers'), een verschijnsel dat tamelijk nieuw was en waar ook in de stadswijk Buytenwegh de Leyens mee werd geëxperimenteerd. Het ging om kleine aantallen (in 1978 nog maar 31 in de gehele stadswijk Seghwaert), maar het model won aan populariteit. De toekomstige wooneigenaren hebben invloed gehad vanaf de grondtoewijzing en de verkaveling van het terrein tot en met de differentiatie van de woningen. De huizen bestaan uit een smalle en een brede beuk. Van langszij gezien vormt de opeenvolging van smalle beuken, omdat deze flink naar voren steken en hoger zijn dan de brede beuken, een fraai silhouet en een krachtig ritme. Ook de bordestrappen (als van grachtenpanden) en de opvallend rode kleur van het hout in de gevel dragen bij aan dit ritme. Verrassend is trouwens het optisch bedrog van deze architectuur kijkend vanaf de Vederkruidvaart langs de Veenwortelvaart: door het wegvallen van het zicht op de naar achter geschoven brede beuken lijken hier niet twee woningen, maar twee losse torentjes te staan. De halve topgevel van de hoge beuk wordt bij sommige woningen gecompleteerd tot een volledige gevel, althans frontaal gezien, door de plaatsing van een dakopbouw met een gespiegeld dakvlak op de brede beuk. Deze opbouw was optioneel, zoals zoveel in dit project. Flexibiliteit tijdens het ontwerp en na oplevering was een belangrijk uitgangspunt. De hoge, smalle voorgevels zijn gestileerd op een wijze die kenmerkend is voor deze tijd: de bakstenen façade wordt behandeld als een abstract en leeg vlak waarin zorgvuldig kleine of bijzonder vormgegeven vensters worden 'gecomponeerd'. Dit complex vormt samen met de woningen aan de Veenwortelvaart een gesloten bouwblok, waarbinnen een intiem en fraai vormgegeven woonerf ligt. Zowel aan de vaartzijde, waar het bijna een 'ensemble' vormt met het riet en het ritme van de bomen, als op het binnenterrein vormt dit complex een fotogeniek geheel. De buurt aan de Nimfkruidvaart en Lissenvaart is zonder twijfel een van de meest opmerkelijke van de stadswijk Seghwaert en niet alleen omdat het zo goed te zien is vanaf de Aziëweg. De noties die ten grondslag hebben gelegen aan de stadswijk Seghwaert, zoals herbergzaamheid, identiteit en de oude Hollandse stad, zijn hier zo letterlijk opgevat dat het lijkt alsof de stadswijk op de korrel wordt genomen.

Het architectenbureau Knoop en Nieuwveld uit Nieuwegein heeft in 1977 in opdracht voor ontwikkelaar Eigen dak 168 premiekoopwoningen ontworpen en die in een middeleeuws aandoende jas gestoken. Stedenbouwkundig én architectonisch. De buurt geeft de indruk een apart stadje te zijn, mede door de geïsoleerde ligging. Het ligt ingeklemd tussen de Aziëweg en de Leidsewallenwetering en voor auto's zijn er slechts twee toeritten, over de wetering, dus uitsluitend vanuit het achterliggende woongebied, zoals bij de Violiervaart het stedenbouwkundig thema 'de gracht' was, was dat hier 'de straat', als in oude stadjes: smal en besloten, met aan alle kanten bebouwing. Daarom lijkt de bebouwingsdichtheid hier zo hoog en voelt de buurt (middeleeuws) intiem aan. De vier woonerven hebben eerder het karakter van pleintjes, waaromheen de bebouwing is gegroepeerd. Het buurthuis ligt geheel in sfeer, als een kerk midden in het buurtje. De woningen zijn er in tien hoofdtypen, verspreid over gestapelde bouw en eengezinswoningen. De gestapelde bouw is aan de kant van de Aziëweg gelegd om tevens te kunnen dienen als geluidswal voor de hele buurt. Met een ijzeren consequentie hebben de ontwerpers dit gegeven vertaald in een gebouw dat er uitziet als een middeleeuwse stadswal. De houten galerij en het schuine dak langs de westgevel hebben de vorm van een omloop aan de buitenkant van een kasteel- of stadsmuur (van waaruit de vijand van bovenaf met pek kon worden bestookt) en de erkers aan de andere kant zijn vormgegeven als 'hordijzen', de houten uitbouwtjes die in de middeleeuwen aan stadsmuren of (kasteel)torens werden gehangen (en die dikwijls ook werden gebruikt als latrine). De opzet is wèl modern: onder het gebouw zit een ruime parkeergarage, al is deze nu gesloten vanwege vandalisme. Ook de gevelarchitectuur van de laagbouwwoningen heeft middeleeuwse trekken in meerdere varianten.

Aan de nauwe Nimfkruidvaart (de smalste en langste woonstraat van de stadswijk Seghwaert) staan één- en tweebeukige diepe panden met puntgevels en -kappen, waarvan de geveltoppen zijn voorzien van vakwerkachtige betimmeringen. Deze woningen zijn twee aan twee ontsloten met massieve, gemetselde bordestrappen. Het zijn split-leveltypes, een categorie waar veel mee gewerkt is in deze buurt, mede omdat het hoogteverschil tussen de Leidsewallenwetering en Aziëweg enkele meters bedraagt. Daar tegenover liggen tweebeukige panden met eveneens hordijs uitbouwen en rondboogdeuren. Men zou dit type kunnen beschrijven als 'dijkwoningen', omdat het niveau van de tuin anderhalve meter onder straatniveau ligt en hier met de architectuur traditioneel op ingespeeld wordt: het extra lange achterdakvlak wordt vanuit de nok in één doorgaande beweging tot op schouderhoogte gebracht. Opmerkelijk is dat de plattegronden van alle eengezinswoningen zijn opgebouwd uit exact gelijke vierkanten (5,40 m bij 5,40 m), vaak gelegd in een groter vierkant patroon van 2 bij 2 waarvan één vierkant als terras is bestemd. Hoog opgaande, expressieve schoorstenen rijzen op uit het dak of langs de terrasmuur. Hèt beeldmerk van deze buurt (en volgens sommigen van de gehele stadswijk Seghwaert) zijn de vaak gefotografeerde houten poorten die de Nimfkruidvaart met een brede toog overspannen. Het ziet er uit als een decorstuk, maar er wordt in gewoond. In deze buurt gaat het niet zomaar meer om de typische 'kneuterigheid' van de stadswijk Seghwaert. De ontwerpers hebben een stap verder gezet en zonder een spoor van gêne de romantiek omarmt. Het was tien jaar te vroeg. De ontwikkelingen zouden juist de andere kant op gaan: weg van de romantiek, naar 'formele' architectuur en stedenbouw, strak in het gelid en zonder 'toeters en bellen'. Pas in de Amersfoortse stadswijk Kattenbroek, begin jaren negentig, werd deze loshangende draad weer opgepakt en kon er weer romantisch worden gewoond.

De Weides

In het noorden van de stadswijk Seghwaert werd slechts korte tijd later een project gebouwd dat wél in de richting wees waar het de komende jaren heen zou gaan: 'De Lotus', gelegen in de Weidebuurt, op de grens met de stadswijk Noordhove. De architect en stedenbouwkundige Carel Weeber heeft in opdracht van Bouwbedrijf Brandwijk 163 premiekoopwoningen en 72 huurwoningen ontworpen. Het verschil met de Nimfkruidvaart kan niet groter zijn: er zijn geen besloten straten meer, geen historiserende of individueel vormgegeven woningen, geen verbijzonderde entreepartijen, ingewikkelde plattegronden, expressieve kapvormen, schoorstenen of balkons, geen subtiele overgangen tussen openbaar en privé. Ja, zelfs het woonerf is verdwenen. De 'ontmoeting' als thema is er niet meer en er wordt ook weer 'gewoon' voor de deur geparkeerd in rijen. In de filosofie van Weeber mochten er niet slechts allerlei leuke 'architectuurvormpjes' worden gemaakt, maar diende eerst de stedenbouwkundige ondergrond in orde zijn. En die ontbrak volgens Weeber geheel in de stadswijken van de Nieuwe Truttigheid. Daar waren de vorm van de straten, de profielen, de wijze van ontsluiting van de woningen en de parkeeroplossingen eerder het gevolg van de architectuur, dan dat de architectuur reageerde op de stedenbouwkundige ondergrond. Als stedenbouw op de eerste plaats komt en de gebouwen pas later worden ingevuld betekent dat dat het stedenbouwkundige plan niet de architectuur van tevoren kan vastleggen. Stedenbouw schept alleen voorwaarden. 'Het is door stedebouw dat de architectuur weer kan opbloeien en niet andersom', vond Weeber. De opvattingen van Weeber sloten bijzonder goed aan bij het klimaat van bezuinigingen dat in deze tijd ontstond. De besparingsvoorstellen die de Woningfederatie aan de gemeenteraad had gedaan, bijvoorbeeld het verlengen van de bouwblokken, zijn voor een goed deel verwezenlijkt. In het plan 'De Lotus' zijn het dan ook vooral de grote lijnen en de rationele opzet van de blokjes die het beeld bepalen. De 'Slinger van Weeber' aan de Weidedreef valt op door de lengte en vloeiende beweging van het blok. Het is geen aaneenrijging meer van afzonderlijke woonblokken met elk hun eigen hoofdvorm, daklandschap en parkeeroplossing. Elke woning is ondergeschikt aan de rij en de rij ondergeschikt aan het stedenbouwkundige plan. Individualiteit is minder belangrijk. De architectuur is dan ook terughoudend en vlak. De kleur van de baksteen is niet meer bruin, maar grijzig. Het silhouet niet meer gebroken, maar messcherp (de kap zit onzichtbaar aan de achterkant). De huurwoningen in het plan aan de Lammerweide hebben wel een kap, maar zijn verder rijtjeswoningen zonder veel opsmuk. Individualiteit aan deze woningen is slechts mogelijk door een eigen kleur aan te brengen op de houten paneelinvulling van de entreepartij. Dat is dan ook volop gebeurd. Deze oorspronkelijk bruine puien (in overleg met de 'kleurenkunstenares' van de stadswijk bepaald), zijn nu vrolijk geschilderd in alle mogelijke aardtinten. Dat de sobere opzet van de stadswijk niet alleen maar een ideologische keuze was, maar evenzeer een financiële, is goed te zien aan de achterkant van de 'Slinger': in tegenstelling tot veel andere woningbouwprojecten in de stadswijk Seghwaert is er niet gezorgd voor tuinmuren of andere gemeenschappelijke erfafscheidingen, waardoor de achtergevel van de 'Slinger' nu wordt bepaald door een langgerekte muur van scheefgezakte schuttingen.

Bron: Gemeente Zoetermeer, De Gave Stad

De ontwikkeling
in de stadswijk Seghwaert
De historische infrastructuur
in de stadswijk Seghwaert
De ruimtelijke opzet
in de stadswijk Seghwaert
Het groen en water
in de stadswijk Seghwaert
 
De architectuur
in de stadswijk Seghwaert
De recente ontwikkelingen
in de stadswijk Seghwaert
De bijzondere kwaliteiten
van de stadswijk Seghwaert