De stadswijk Rokkeveen - de architectuurDe stadswijk Rokkeveen is niet op één, maar op twee breukvlakken binnen de architectuurgeschiedenis gebouwd, in tegenstelling tot de andere stadswijken van Zoetermeer, die slechts een enkele overgangsperiode te zien geven, zoals in de stadswijk Meerzicht of die binnen een en dezelfde architectuurstroming zijn gebouwd als de stadswijken Palenstein en Seghwaert. Met de stadswijk Rokkeveen begint wat in de vakwereld wel eens 'de tweede moderniteit' genoemd wordt. De architectuur van de kleinschaligheidsgedachte waarmee de stadswijken Seghwaert en Buytenwegh de Leyens zijn gebouwd bezweek vanaf eind jaren zeventig onder de groeiende kritiek en werd, zeker vanaf begin jaren tachtig gevolgd door een vrij massale herontdekking van het vroege modernisme uit de jaren twintig en dertig als de 'geboortegrond' van het vak architectuur. Architecten lieten zich weer inspireren, zoals in de jaren vijftig en zestig, door de strakke, kubistische villa's van Le Corbusier of Gerrit Rietveld, de functionalistische woningen van J.J.P. Oud in Hoek van Holland, daterend uit 1924 of de 'Weissenhofsiedlung' bij Stuttgart van onder andere Mies van der Rohe. Toonaangevende architecten in Nederland bouwden vanaf begin jaren tachtig strak modernistisch, zoals in de stadswijk Rokkeveen-Oost goed is te zien. Ook het postmodernisme, dat in deze tijd in het buitenland (Frankrijk, Spanje, Verenigde Staten) goed aansloeg, was aanvankelijk nauwelijks in staat hier op in te breken. De neo-modernistische architectuur van de jaren tachtig veranderde daarentegen van binnenuit, al vanaf het eind van de jaren tachtig. De witte tinten werden losgelaten, de stijl werd speelser (zoals de luifelwoningen langs de Floraplas), de materialen duurder (zie de urban villa's aan de Woudlaan in de stadswijk Rokkeveen-West). Dit alles hield natuurlijk ook verband met de explosief groeiende economie van de jaren negentig en de drastische verschuiving in het woningaanbod van huur naar koop. Nederland veranderde in korte tijd van een paradijs van gesubsidieerde huurwoningen naar een land van dure koopwoningen en -appartementen. Het is het begin van wat de 'derde moderniteit' genoemd zou kunnen worden: de architectuur werd (en wordt, want het proces is op dit moment in volle gang) steeds diverser, toegeschreven op de (vermeende) leefstijlen van de bewoners. Het modernisme of de vele interpretaties daarvan als 'Supermodernisme' of 'High Tech-architectuur', moet vandaag de dag vele andere stijlen en stromingen naast zich dulden, zoals historiserend bouwen (vooral 'jaren dertig-stijl'), 'Blob-architectuur' (ronde vloeiende vormen) of extreme of 'leuke' architectuur (zoals de veelkleurige en veelbesproken geheel door dakpannen bedekte woningen in Ypenburg). Dit tot grote ergernis van menig vormgever, vakblad en toonaangevend architectuurcriticus, die de opkomst van een 'inhoudsloze beeldcultuur' en een 'lach-of-ik-schiet-architectuur' nauwelijks kan verdragen. Deze algemene architectuurontwikkelingen hebben de diversiteit van de stadswijk Rokkeveen niet zozeer veroorzaakt, maar sloten meer aan op het concept van de stadswijk zoals de stedenbouwkundige ontwerpers Ton Hinse en Frans Marks dat in het Stuctuurplan Rokkeveen 1986 hadden neergelegd. Elke buurt werd geacht zijn eigen 'beeldkarakteristiek' te krijgen, die werd vastgelegd op kaarten. Voor vier delen van Rokkeveen (Oost, Centrum, Zuid en West) werden drie beeldkaarten gemaakt: een kaart met architectuurtypen en verkavelingskarakteristieken, een gevelkleurenkaart en een bouwkundige uitwerkingskaart. Op de bouwkundige uitwerkingskaart werden voor elke buurt de architectuureenheden vastgelegd, werd gedetailleerd bepaald waar ramen of zelfs deuren in kopgevels dienden te worden aangebracht (om dode kopgevels te voorkomen), waar tuinmuren moesten komen (om houten schuttingen te vermijden) en waar speciale blokbeëindigingen waren gewenst. Hier werden zogenaamde referentiebeelden aan toegevoegd, voorbeeldfoto's van architectuur zoals men die in de verschillende buurten voor ogen had. Rokkeveen-Oost werd voorbestemd voor kubistische, witte architectuur in een blokachtige en 'introverte' verkaveling, passend bij de geometrische en functionalistische opzet van het stratenpatroon. Rokkeveen-Midden werd opgezet met een 'ruggengraatverkaveling' en 'moderne' traditionele architectuur zoals in Seghwaert (dit is goed te zien aan de architectuur aan de Derde Stationsstraat bij het Titaanwit en de Isabellagang), Rokkeveen-Zuid kreeg een meer open, op het park en het polderlandschap gerichte verkaveling, een landelijke 'slingerende hoofdstructuur met elegante curven' en horizontale klassieke architectuur (jaren dertig-bouw). Rokkeveen-West werd verdeeld in verschillende architectuurzones met bijbehorende kleuren. Er werden vijf architectuurtypes en zeven verkavelingskarakteristieken gekozen. Drie vooroorlogse stijlen, de expressionistische Amsterdamse school, de rationalistische Rotterdamse school en de Haagse School als een stijl die hier tussenin zit zijn naast de diversiteit van de huidige architectuurstijlen geplaatst. Vrijwel al deze architectuurintenties zijn ook gerealiseerd, al moet worden gezegd dat de kwaliteit van de architectuur in Rokkeveen-Oost aanzienlijk verschilt van die in West, Midden en Zuid. Oost bestaat hoofdzakelijk uit huurwoningen die gebouwd zijn in de nasleep van de economische crisis van de jaren tachtig, de overige buurten bestaan voor een veel groter deel uit koopwoningen uit een welvarender periode. De detaillering en het materiaal- en kleurgebruik in Rokkeveen-Oost (veel witte kalkzandsteen en grove balkonhekken bijvoorbeeld) lijken veel op die van de weinig verfijnde architectuur in het Stadshart. Ook in stilistisch opzicht is Oost minder geslaagd: lang niet overal staat modernistische architectuur in lichte tinten, zoals de bedoeling was. Vooral de woningbouwverenigingen hadden met deze architectuur grote moeite en zij droegen architecten aan met 'traditionele' woningen met kappen in hun portfolio. De ontwikkelaars wilden eigenlijk geen strak plan, aldus de stedenbouwkundige Hinse. Voor hen was Seghwaert nog steeds het ultieme model. Een excursie naar de pas gebouwde modernistische IJ-plein-buurt in Amsterdam-Noord, gebouwd door de toen al gerenommeerde architect Rem Koolhaas had de geestdrift moeten wekken bij de ontwikkelaars, maar het beeld van de grijs gestucte stroken en blokken versterkte slechts de weerzin. "Sluit datgene wat de stedebouwer aanbiedt aan op datgene wat de toekomstige bewoners vragen?", vroeg een bezorgd raadslid zich af. In Rokkeveen-Zuid kozen de stedenbouwers eieren voor hun geld: hier mocht 'klassieke' moderne architectuur worden gerealiseerd, met kappen en breed uitgetimmerde dakgoten. Rokkeveen-Oost De 136 premiekoopwoningen tussen het Mosgroen en Grasgroen zijn het voorbeeld bij uitstek van de omslag van het architectuurklimaat in de tweede helft van de jaren tachtig en laten goed zien welk Rokkeveen-Oost de stedenbouwkundige ontwerpers van aanvang af voor ogen hadden. Fons Verheijen, van het architectenbureau Verheijen, Heuer en De Haan uit Leiden (later vooral bekend geworden met museum Naturalis in Leiden) heeft deze woningen in 1988 voor Stokker Vastgoedontwikkeling uit Zoetermeer ontworpen en zich laten inspireren door het vroege modernisme van de jaren twintig en dertig. De vroeg-modernistische (arbeiders)wijken, zoals de Weissenhofsiedlung, waren opgezet volgens het principe van 'licht, lucht en ruimte', waarbij woonstroken evenwijdig aan elkaar op de zon werden georiënteerd, en de woningen functioneel, dus strak en ornamentloos werden vormgegeven, met plat dak, grote horizontale vensters en een zo functioneel en economisch mogelijk ontworpen plattegrond. Voor de als somber ervaren negentiendeeeuwse bakstenen gevels werden wit of licht gestucte gevels in de plaats gesteld. Al deze elementen zijn onmiskenbaar aanwezig in dit woningbouwproject, dat bestaat uit zes stroken, abstract en geometrisch als het stedenbouwkundige plan zelf, middenin onderbroken door een langzaam-verkeersroute en een plantsoen. De langgerekte raamstroken op de eerste verdieping, licht gevelstucwerk en tegels op de begane grond verlenen deze blokjes een sterk modernistisch karakter. De zes stroken zijn elk gestuct in lichte tinten van de kleuren van de regenboog: rood, oranje, geel, groen, blauw, violet. Het meest opvallend aan deze architectuur zijn de dakopbouwen, niet in het minst omdat de vormgeving en gevelafwerking hier nogal uit de toon vallen. De opbouwen horen wel bij het oorspronkelijke ontwerp en zijn als extra (goedkope) ruimte toegevoegd aan de woning, maar het stucwerk en de gevelbeplating doen heel goedkoop aan. Zowel de isolatiestuc als witte gevelbeplating ('trespa' in de volksmond) bleken snel vervuilende materialen met een vaak armoedige uitstraling en deze worden vandaag de dag weinig meer door architecten toegepast. Grenzend aan dit modernistische project bij uitstek staat aan de Regenboogsingel een postmodernistisch ensemble uit 1989, de 'Pergola', van de hand van Carel Weeber, toen nog één van de vennoten van de Architecten Cie. uit Amsterdam. Vierenveertig vrije sectorwoningen zijn ondergebracht in een gebogen gebouw van 200 meter lengte, en zesendertig appartementen in de twee urban villa's aan weerszijden hiervan. Het postmodernisme in de architectuur is een brede term voor een internationale stroming die, in reactie op het modernisme, probeerde gebouwen of delen daarvan weer een voor iedereen herkenbare symbolische betekenis te geven die meer zou zijn dan de functionele boodschap van een gebouw. Symbolen uit de klassieke bouwkunst als zuilen, tympanen en kroonlijsten zijn in deze stroming favoriet. Het postmodernisme werd in het buitenland groot in de jaren zeventig en tachtig, maar kreeg in Nederland, volgens Rem Koolhaas het Cuba van het modernisme, nooit echt voet aan de grond. Het tekent het karakter van Weeber dat hij kiest voor een in Nederland zo omstreden stijl als het postmodernisme. Voor menig vakbroeder is hij de enfant terrible van de architectuur, een reputatie die hij al minstens vijfentwintig jaar staande weet te houden. Weeber is niet alleen verantwoordelijk voor spraakmakend kale en snoeiharde gebouwen (de Zwarte Madonna in Den Haag, de Peperklip op Rotterdam-Zuid), maar zorgt ook op geregelde (en vaak welgekozen) tijden voor opschudding met tegendraadse en politiek incorrecte architectuuropvattingen. Hij speelde een hoofdrol bij de aanval op de 'Nieuwe Truttigheid' van de jaren zeventig en lanceerde enige jaren terug met succes het begrip 'Wilde Wonen', waarvan ook nu in Zoetermeer enkele voorbeelden zijn te vinden (o.a. in Noordhove, de Keyserplan). 'Een architect moet elke stijl beheersen', is Weebers overtuiging, reden waarom de architect voor de Pergola te rade ging bij de negentiende-eeuwse, romantische Duitse architect Karl Friedrich Schinkel, die in 1823 het 'Museum am Lustgarten' in Berlijn ontwierp en het gebouw voorzag van een langwerpig front dat geheel uit Griekse zuilen bestond. Rokkeveen-Centrum Aan de Mahatma Gandhisingel bevinden zich ter weerszijden van het winkelcentrum twee opmerkelijke lichtgrijs gestucte woongebouwen van het architectenbureau Dobbelaar, De Kovel en De Vroom Architecten (D.K.V.) uit Rotterdam, gebouwd in 1993- 1994. Het zijn 29 vrije sectorwoningen, gebouwd voor Grootels Bouwbedrijf uit Eindhoven. In de prospectus werden zij omschreven als 'stadswoningen', een titel die wel op zijn plaats is omdat de woningen centraal gelegen zijn langs de toegangsweg naar Rokkeveen-Centrum en Rokkeveen-West. Bovendien strekken de woningen zich over vier verdiepingen uit, zoals bij oude herenhuizen. De woonblokken werken als een geluidsscherm voor de achterliggende buurten, maar vormen tegelijkertijd de poort tot deze buurtjes voor het langzaam verkeer. Ook DKV is een kind van het 'neo-modernisme' van de tweede helft van de jaren tachtig, maar het ontwerp van deze stadswoningen laat goed zien dat in de jaren negentig de omgang met de 'Moederstijl' al wat losser, wat meer ontspannen wordt. De gebouwen hebben modernistische trekken, zoals de sterke horizontaliteit van de bovenste raamstrook en de lichte stuc, maar de ronde trappenhuizen zijn bijzonder expressief en bijna romantisch te noemen. De ontwerpers leggen echter een relatie met silo-achtige vormen, die samen met de gevelindeling met het grote contrast open/gesloten en de a-typische perforaties de twee blokken een utilitair karakter geven, wat hun overgangspositie op de grens van een woonwijk naar een gebied met kantoren benadrukt. Bijzonder is verder dat de gevels van de eerste twee verdiepingen zowel aan de voor- als aan de achterkant volledig uit glas bestaan, waardoor er riante doorzichten ontstaan van voor naar achter. De begane grond en eerste verdieping is aan de straatzijde verbonden met een vide, een luxe oplossing die in de jaren negentig weer op grotere schaal werd toegepast. Aan de Florazoom liggen op een prominente plaats tegenover de Floraplas zes rijen eengezinswoningen die met flair op het wijdse uitzicht zijn ontworpen. Deze achtenvijftig vrije sectorwoningen zijn in 1990 ontworpen door architectenbureau Pieter Weeda uit Rotterdam, en nog voor de opening van de Floriade gebouwd, een vereiste voor alle woningen langs de 'borders' van het Floriadeterrein, om de bezoekers te behoeden voor een grijs uitzicht op bouwplaatsen. De woningen zijn vooral opvallend door de grote betonnen luifels die boven het terras van de tweede verdieping hangen (of liever staan) en die deze woningen een 'kuif' geven. De luifel is visueel losgehouden van de woning, waardoor het geheel toch een 'transparant' karakter behoudt. Het ruime dakterras onder de luifel ligt permanent in de schaduw, maar daar hebben sommige bewoners een oplossing voor gevonden door een zonneterras boven op de luifel in te richten. Architectonische bijzonderheden als deze luifel drukken uiteraard op de kosten van de woning, maar dat verhinderde niet dat binnen veertien dagen na de bekendmaking alles was uitverkocht. Het riante uitzicht op de plas, de royale maten van de woning (de woonkamer/open keuken meet bijna vijftig vierkante meter, wat eind jaren tachtig zeker niet gewoon was) en de garage aan de achterzijde hebben indertijd veel kopers gelokt. Rokkeveen-West Hoewel ruimtelijk van elkaar gescheiden door het Florapark behoren de vijf urban villa’s en de rij eengezinswoningen aan de Woudlaan samen met het schijfvormige flatgebouw op de hoek van de Florasingel en Albert Schweitzersingel tot één en hetzelfde ensemble, gebouwd in de strook die in het bestemmingsplan was voorbestemd tot het 'postmodernisme en internationale stijl' (modernisme). De architect, Frits van Dongen van de Architecten Cie. uit Amsterdam heeft zich van deze taak goed gekweten en in opdracht van meerdere ontwikkelaars een fotogenieke modernistische buurt ontworpen, die gebouwd is tussen 1993 en 1996. Het schijfvormige flatgebouw, de zogenaamde Cumulus, telt vierenzestig vrije sector-appartementen, de urban villa's honderd en de laagbouw dertig eengezinswoningen. De Cumulus ligt op het oude Ganzevoetplein, het centrale plein van de Floriade waar de drie assen van het tentoonstellingsterrein samenkwamen. Het plein is er niet meer, maar de dijk, één van de assen, nog wel. De Cumulus ligt aan het einde van deze zichtlijn en wordt zo visueel verbonden met de andere blokken van het ensemble. De hoofdvorm van de Cumulus zet zich gemakkelijk vast in het geheugen door de lange smalle vorm en het silhouet van twee schuine, tegengesteld omhoog lopende dakvlakken. Het gebouw staat gedeeltelijk in het water, op kolommen, tegenover de ruime entreehal. De zuidgevel bestaat zeker voor de helft uit glazen serres die bijna twee meter uit de gevel komen. Bovenin het gebouw bevinden zich vijf penthouses met dubbel hoge ruimtes onder het schuin aflopende dak, waarin dakpatio's zijn uitgespaard. Ook de urban villa’s zijn opmerkelijk als gevolg van de grote 'happen' die er uit de hoeken zijn genomen. Dit lijkt weliswaar een speelsheid, maar heeft wonderlijk genoeg te maken met het feit dat er op de blokjes geen penthouses zijn gebouwd, wat anders bij urban villa's de gewoonte is. Om de blokken toch een boeiend silhouet en de woningen een interessante buitenruimte te geven, zijn de bovenste vier lagen gereserveerd voor maisonettes van elk twee verdiepingen waarbij de terrassen uit het blok zijn gesneden, over de volle hoogte van de woning. Voor de eengezinshuizen was het thema 'doorzonplattegronden', maar dit mag in dit geval beslist niet in zijn ordinaire betekenis worden uitgelegd. Het 'doorzon' van deze luxe drive-in woningen zit juist in de ruime doorzichten in de woning door middel van een vide aan de tuin- en een hoog terras aan de straatkant. De (curieuze) combinatie van scherp afgesneden hoofdvormen en kale gevels met chique en warm ogende gevelbekleding, zoals in dit geval de veelkleurige baksteen en de houten delen is trouwens kenmerkend voor de Nederlandse architectuur van de tweede helft van de jaren negentig, waarin door architecten steeds gedurfder wordt gejongleerd met de erfenis van het modernisme: de strakke, altijd vierkante hoofdvormen worden gekoesterd, de materialen worden steeds 'warmer'. Eén van de meest opvallende projecten van Rokkeveen, al was het alleen maar vanwege de felle kleuren, zijn de vier urban villa's aan de Woudlaan van het bureau Klunder Architecten uit Rotterdam (projectarchitect: ir. M. de Ruiter). Zij zijn gebouwd in opdracht van de Christelijke Woningbouwvereniging Zoetermeer en bevatten elk drieëntwintig appartementen, verdeeld over zeven bouwlagen. Elke woning, behalve de penthouses op het dak, zijn hoekwoningen, wat mogelijk is gemaakt door de compacte vorm van de villa's. Toch hebben de gebouwen niet een vierkant maar een enigszins langwerpig grondplan, waarmee zij een elegantere hoofdvorm krijgen dan de 'ompe stompjes' die urban villa's al snel kunnen zijn. De speelsheid van de onregelmatige 'blokkendoos-achtige' stapeling van kubussen en van de schijnbaar willekeurige plaatsing en grootte van de vensters klopt goed met de speelsheid van het in felle kleuren gekeimde (keim = natuurlijke muurverf) metselwerk. De kleuren worden extra versterkt door de zwarte kozijnen en paneelinvullingen. 'De crèche van Rokkeveen', zo lichtte een buurtbewoner het ontwerp jolig toe. Om de eigenheid van elke urban villa nog eens extra te versterken heeft elk gebouw een eigen ontwerp voor het groen en een eigen boomsoort (bij de groene flat is dat bijvoorbeeld de berk). 'Elke woonbuurt een eigen identiteit' (woonmilieudifferentiatie in vakjargon) is een thema dat in de jaren tachtig voor het eerst in het vak stedenbouw ontkiemde en waar ruimtelijke vormgevers in de jaren negentig, tot op de dag van vandaag, meer en meer van in de ban zijn geraakt. Niet door de 'natuurlijke', door lange tijdsintervallen gescheiden schokken in maatschappij- en ontwerpopvattingen te volgen, zoals bij de verschillen tussen de stadswijken Dorp en Palenstein of tussen de stadswijken Palenstein en Seghwaert, maar actief en doorlopend, als kunstmatige strategie, zoals bij modetrends. In dit project is de eigen identiteit niet eens meer tot de eigen buurt beperkt, maar tot het individuele gebouw. In de 'wig' tussen het Ebbehout en de Woudlaan, staat één van de drie historiserende buurten van Rokkeveen-West: de Amsterdamse schoolbuurt. De Amsterdamse school is, de naam zegt het al, ontstaan en tot grote bloei gekomen in het Amsterdam van de jaren twintig, en dan vooral in het internationaal befaamde Berlage-Zuid (Amsterdam-Zuid en Rivierenbuurt). Deze stijl, ook wel bekend als 'baksteenexpressionisme', wordt gekenmerkt door grote, vaak gekromde baksteenvlakken, uitbundig ontworpen entreepartijen, schoorstenen en erkers, kunstig ontworpen roedeverdelingen (die vaak de belangrijkste decoratie van een Amsterdamse schoolgebouw vormen) en indrukwekkende kappen. De destijds verachte negentiende-eeuwse individuele panden werden vervangen door grote, langgerekte stadsblokken. Zonder een spoor van terughoudendheid hebben twee architectenbureau's, Kloet van der Merwe uit Delft en Kampman architecten uit Den Haag in opdracht van vier opdrachtgevers 272 woningen in neo-Amsterdamse school ontworpen, waarvan 81 appartementen verdeeld over drie schijfvormige flats aan de rand van de Poldertuinen. De ronde vormen van de trappenhuizen van de appartementgebouwen, de plastische gewelfde metselwerkvlakken van de kopwoningen van de eengezinsblokjes, de 'ladderramen' (horizontale raamroedes), de dakrandafsluiting met horizontale dakpannen zijn alle rechtstreeks ontleend aan de vormentaal van de Amsterdamse school. Het geheel ziet er zeer zorgvuldig en rijk uitgevoerd uit, hoewel dat volgens de architect voor een deel handig 'gezichtsbedrog' is. Het geld is voornamelijk in het ontwerp van de kopwoningen gaan zitten; voor 'extra's' aan de gevels van de tussenwoningen was slechts duizend gulden beschikbaar. Onder andere de straffe eisen van de gemeente, die alle verkoopprijzen en het aantal vierkante meters vaststelde en bovendien gemetselde bergingen en tuinmuren wilde, hebben het beste in de architecten bovengehaald. Zo hadden de roedes eigenlijk tussen de dubbele beglazing verankerd moeten zitten, maar ze zijn uitgevoerd als horizontale houten 'tralies'. Vooral de kopwoningen van zowel de eengezinsblokjes als van de flats hebben een bijzondere plattegrond. De scherpe hoek die de kopwanden van de flats maken (om het doorzicht tussen de flats te verminderen waardoor de straat beslotener wordt) geeft de woonkamers hier een aparte vorm. Het meest bijzonder zijn de penthouses op het dak van de appartementsgebouwen. Het ruimste penthouse heeft een woonoppervlak van 120 m2 en een rondlopend terras van 85 m2. De woonkamer is halfrond vormgegeven. Rokkeveen haalt zijn architectuurvoorbeelden niet alleen uit het verleden, maar ook van verre. Aan de Woudlaan en het Limbahout ligt een onvervalst stuk Amerikaanse suburb, waarvan de woningtypen namen dragen als 'Arizona', 'Florida' en 'New Hampshire'. De opdrachtgever, Fortis Vastgoed wilde zo dicht mogelijk bij de Amerikaanse werkelijkheid aansluiten en heeft in het jaar 2000 het plan ontwikkeld samen met een Amerikaans bureau, P.P.K.S. Architects uit Chicago, en P.B.V. architecten uit Wassenaar (projectarchitect Wolbrand van der Vis). Het Wassenaarse bureau had al ervaring met het ontwerpen van Amerikaans ogende woningen elders in Nederland. Het stedenbouwkundig plan is aangestuurd door P.P.K.S., onder leiding van een Amerikaanse Nederlander, Renee Steevensz. Al bij de eerste aanblik is duidelijk welk land model heeft gestaan voor de opzet: het Limbahout is, afgezien van één toegangsweg, afgesloten van de rest van de wijk en de villa's zijn geplaatst aan een lusvormige weg, een zogenaamde cul-de-sac. Ook het ontbreken van trottoirs en het doorlopen van het gazon tot aan de rijweg is typisch voor een Amerikaanse buitenwijk, waar iedereen zich per auto verplaatst, zelfs binnen de eigen buurt. De woningen zijn volgens de architect ontworpen 'met een knipoog naar Frank Lloyd Wright', de beroemde vroeg twintigste-eeuwse architect die zich onderscheidde door zijn zoektocht naar de 'eigen' Amerikaanse bouwstijl. Het langgerekte, horizontale van zijn architectuur (er zijn zelfs lange, dunne metselstenen gebruikt), de breed uitstekende dakranden en de flauw hellende daken - waarmee hij de prairie tot uitdrukking trachtte te brengen, zijn ook hier toegepast. Hier en daar heeft een woning een tympaan (driehoekig tempelfront) op zuiltjes, van Europese oorsprong natuurlijk, maar in Amerika veel vaker en zonder enige schroom aan de woning toegevoegd. Maar een onversneden Amerikaans product zijn deze woningen toch niet geworden, want "Nederlanders zijn geen Amerikanen", aldus de architect. In het land van oorsprong zijn dit soort buitenwijkhuizen doorgaans van hout, zowel het skelet als de buitenafwerking, maar die vallen bij Nederlanders niet in de smaak. Nederland is van oudsher een 'baksteenland'. De Nederlandse tuinen zijn ook beslist niet Amerikaans: ginds bestaat de tuin hoofdzakelijk uit een leeg grastapijt, vaak zelfs zonder erfafscheiding, hier zijn tuinen dikwijls flink begroeid, 'aangekleed' en dichtgezet met schuttingen of hagen, waardoor ze kleiner lijken, zelfs als zij het niet zijn. Ook de specifiek Nederlandse bouwregelgeving als het Bouwbesluit en de 'Energieprestatienorm' heeft zijn sporen in het ontwerp achtergelaten. De Amerikaanse voordeur wordt vaak via de veranda bereikt (en geeft dan direct toegang tot de huiskamer, zonder hal, de zogenaamde Donald Duckwoning), maar dat stuitte hier op bereikbaarheidsnormen voor gehandicapten. Alleen aan de Woudlaan was een trap naar de voordeur mogelijk, maar daar kan de rolstoel via de hellingbaan van de garage naar beneden. Naar boven zal wel een stuk moeilijker gaan De Amerikaanse invloed op Rokkeveen beperkt zich niet alleen tot woningbouw. Ook de kantorenmarkt volgt nauwgezet wat er aan de andere zijde van de oceaan gebeurt. Op de centrale kantorenlocatie van Rokkeveen, schuin tegenover het winkelcentrum van de wijk aan de Mahatma Gandhisingel, is kort geleden het 'kantorenvillapark' Forum Fontanus opgeleverd. Het is in hoofdlijnen ontworpen door Bevasta Projectontwikkeling uit Den Haag en verder uitgewerkt door architectenbureau Wilmink, eveneens uit Den Haag. Twintig zelfstandige kantoorvilla's zijn in een carrévorm rondom een gemeenschappelijke binnentuin gebouwd. De relatief kleine villa's zijn drie of vier lagen hoog en volgens klassieke principes vormgegeven: zij hebben een monumentale ingangspartij, een plint van natuursteen met blokpatroon, een bewerkte kroonlijst en grote hoge vensters met gedecoreerd hekwerk. Volgens het klassieke principe van 'eenheid in verscheidenheid’ verschillen de villa's enigszins van elkaar, maar niet te veel. Om het statige karakter te benadrukken zijn de binnenruimtes extra hoog uitgevoerd: 3,20 m, een naar huidige maatstaven uitzonderlijke maat. Het niveau van afwerking is hoog, ook in het interieur. Zelfs de helling naar de parkeergarage onder de binnentuin is met decoratieve tegels ingelegd. De binnentuin is ontworpen door C.H. & Partners, het bureau van Frank Cardinaal, de landschapsontwerper die lange tijd bij de gemeente Zoetermeer heeft gewerkt en voor de vormgeving van vele groengebieden in diverse wijken verantwoordelijk is geweest, onder andere het opmerkelijke park Seghwaert. Cardinaal is ook mede verantwoordelijk voor het stedenbouwkundige ontwerp van dit kantorengebied, het Campusplan. Het middelpunt van de binnentuin wordt een fontein, waar de hof zijn naam aan ontleent. Het project is uniek in het land. Kantoren worden altijd als losse, individuele gebouwen in de ruimte gezet, zoals langs de Zuidweg. De vormgeving is dan of onopvallend of zeer modern, maar zelden klassiek. Ook de op alle niveaus consequente en kloppende vormgeving, waarbij zichtbaar veel geld is uitgegeven (geen klassieke facade voor een modern kantoorinterieur) is opvallend. Bron: Gemeente Zoetermeer, De Gave Stad
| |||||||||||