Zoetermeer in het begin van de twintigste eeuw (3)

In de woningen aan de Dorpsstraat woonden de middenstanders en de beter gesitueerden. Ook de boeren, die hun bedrijf aan een zoon hadden overgedaan, kochten een huis aan de Dorpsstraat om daar te gaan 'rentenieren'. Ook woonden er de burgemeester, de pastoor, de predikant, de notaris, de dokters en andere notabelen.

Cornelis Leonardus Jacobus Bos (1840-1917) was burgemeester van Zegwaart tussen 1882 en 1917 en van Soetermeer van 1894 tot 1912.

De werkende mensen, de arbeiders, woonden in de doodlopende stegen, die zich hier en daar in de Dorpsstraat bevonden. Bij de oudere Zoetermeerder is de Piet- en Dorasteeg nog wel bekend, waar nu het woonhuis nummer 159 staat. Daar woonden vier gezinnen, waarvan de man Piet en de vrouw Dora heette.

Aan het begin van de Molenweg (nu Stationsstraat) bevond zich tegenover het café van Piet Opstal een complex arbeiderswoninkjes, dat de Piet en Dorasteeg werd genoemd vanwege drie gelijknamige echtparen die daar woonden.

Achter nummer 148, de tapijtzaak, stonden ook enkele huisjes, daar woonden Rook de Bruin de asman, Ekels de lantaarnopsteker en de familie Havelaar, waar altijd een emmer drinkwater klaarstond voor dorstige schoolkinderen. Ook tussen Dorpsstraat 138 en 142 was een steeg met enkele huisjes, dat bekend stond als de Sluitersteeg. Daarnaast waren er ook stegen achter Dorpsstraat 43, Dorpsstraat 109 en Dorpsstraat 124. Verder stonden er kleine huisjes op de Leidse- en Delftsewallen. Aan het voorste stukje Stationsstraat, dat tot aan de Pilatusbrug bij de Dorpsstraat gerekend werd, is ter plaatse van de parkeerplaats een heel complex eenvoudige huisjes gesloopt. Dit soort huisjes bestond uit een woonkamer van ongeveer 20 vierkante meter met aan één zijde twee bedsteden, waartussen een kast of keldertje. In de kamer was wel een houten vloer; dikwijls lagen daaronder nog plavuizen, waarop waarschijnlijk nog vroeger gewoond werd. Achter de kamer bevond zich het 'achterhuis' ter diepte van 2 á 3 meter met een stenen vloer. Hier was in de hoek een stijl trapje naar de zolder die zich alleen boven het woonvertrek bevond en die men zo op handen en voeten kruipend kon bereiken. Voorts was er in het 'achterhuis' een keukenschoorsteen voor het fornuis en de buitendeur, die tevens hoofdingang was. Een aanrecht was er veelal niet, er was immers geen waterleiding. De vaat deed men op een tafel, het vuile water kon door een gat in de buitenmuur weglopen. In de kamer was geen schoorsteen gemetseld, maar moest de kachelpijp tot aan de zolder reiken, daarboven was dan wel een schoorsteenkanaal gemetseld. Met de toentertijd gestookte steenkool of turf kon de kachel niet 's nachts aanblijven. Was de bedstee tegen de buitenmuur gelegen, dan gebeurde het bij strenge vorst wel, dat de ijspegels 's morgens aan de zoldering hingen. Ook de muur werd glad; daarom werden tegen de muren losse houten schutten aangebracht om het beddegoed tegen vocht te beschermen. Men sliep op matrassen, die met stro gevuld waren. Bij de armsten lag ook wel stro los in de bedstee. Aan het voeteneind was op halverhoogte een legplank aangebracht, waar ondermeer de wekker en de nachtspiegel een plaats vonden. Soms was aan het voeteneind een kribbe getimmerd, dat als slaapplaats voor de baby diende.

De beste kamer, de plee of ook wel nummer 100 genoemd, werd in officiële stukken aangeduid als privaat en bevond zich als regel buitenshuis, veelal in het op enige afstand staande schuurtje. In de deur was dan op ooghoogte een hartvormig gaatje gezaagd dat diende als ventilatiegat. Bij gebruik liet men de deur op een kier, zodat er enig licht binnenviel. De sluiting geschiedde met een klink, waaronder een gat was geboord, zodat men van de binnenzijde de klink met een vinger kon oplichten. In het gunstigste geval was het'privaat tegen de achtergevel gebouwd en was dan over het straatje te bereiken. In geval van meerdere huizen onder één dak werden ze ook op een rijtje naast elkaar op het erf ('de wurft') gebouwd. Ook kwam het niet zelden voor, dat meer gezinnen samen met één 'privaat' moesten doen. In de bouw- en woningverordening van 1905 werd voor elke nieuw te bouwen woning een eigen privaat verplicht gesteld, maar bestaande toestanden mochten blijven tot vernieuwing plaats vond. Zelfs toen nog bleef het toegestaan, dat een privaat rechtstreeks boven de sloot gebouwd was, mits op 20 meter afstand van het woonhuis. Dit kwam in het dorp toen maar weinig meer voor, hoogstens hier of daar voor het 'werkvolk'. Langs de buitenwegen werden die gebouwtjes nog wel gezien boven een sloot.

Aan de Voorweg, waar nu het Haagsebos is en dat toen algemeen bekend stond als 'de ouwe fabriek', stond vroeger een complex aan woningen. Daar was een melkfabriek in bedrijf. De verschillende vrijstaande, gedeeltelijk van hout opgetrokken gebouwen en magazijnen zijn verbouwd tot woongelegenheid, al was het soms zeer primitief. In deze woningen woonden de armsten van de armsten van de gemeente. Het was een complex waar iedereen zo vlug mogelijk langs wilde lopen. De na 1905 gebouwde arbeiderswoningen waren al wat ruimer opgezet, sommigen al met voordeur en portaal. Boven de zolderbalklaag werd een borstwering gemetseld zodat de zolder wat hoger werd, maar ook toen nog alleen boven het woonvertrek.

Het echtpaar Van der Lecq woonde in dit eenvoudige, met riet gedekte huis aan de Vlamingstraat.

Bron: Zoetermeer zoals het was in het begin van deze eeuw
Foto's: Historisch Genootschap Oud Soetermeer

Terug naar
Pagina 2
  Verder naar
Pagina 4