Zoetermeer in het begin van de twintigste eeuw (2)Het eigenlijke dorpsleven heeft zich hier altijd afgespeeld in de Dorpsstraat, namelijk dat gedeelte van de gemeente, dat gelegen lag binnen de ringvaart, die het gehele oude dorp omsloot. Wanneer iemand, die aan de buitenwegen woonde, tegen zijn huisgenoten zei: "ik ga naar dorp", wist iedereen dat hij of zij de Dorpsstraat bedoelde. Daar waren de kerken, de scholen, de cafés, daar werd vergaderd, verkoping gehouden, kortom daar was het centrale ontmoetingspunt. Daar zochten ook de jongelui elkaar op en werden vriendschappen voor het leven aangeknoopt. Op zomeravonden en 's zondags zag men er ook jongelui uit de omliggende dorpen. Omdat er dan praktisch geen verkeer was, werd de Dorpsstraat al pratende menigmaal heen en terug bewandeld. Wat de Kalverstraat voor Amsterdam is, was de Dorpsstraat voor Soetermeer.De bestrating bestond uit keien. Voor de huizen had ieder een eigen straatje of stoep van ongeveer een meter breed, afgezet met houten of hardstenen palen (balies genoemd) met daartussen kettingen of ijzeren stangen. Wanneer die stangen rond waren konden de schooljongens de verleiding niet weerstaan om te koppetjeduikelen, maar o wee wanneer ze met vuile klompen op de stoep kwamen en de bewoonster dat bemerkte. Die stoep werd zorgvuldig schoon gehouden en elke zaterdag geboend. Er was een vrouwtje, dat elke dag dweilde en daarom kreeg haar stoepje de bijnaam 'het heilige straatje'. Het spreekt haast vanzelf dat sommige belhamels, als ze meenden door de bewoners niet gezien te worden, er juist expres over liepen. Prompt kwam dan de man zijn beklag doen bij de bovenmeester, die er tegenover woonde. Ondanks navraag in de school had natuurlijk niemand het gezien of gedaan. De ruimte tussen de stoep en de keien was ook bestraat en moest ook door de huiseigenaren onderhouden worden; dat waren de zogenaamde 'kleine steentjes'. Aan de noordzijde van de Dorpsstraat stonden er in die kleine steentjes bij veel huizen één of twee lindebomen die zo geleid werden, dat alleen de zijwaartse takken uitgroeiden tot leibomen, dus met platte kruinen evenwijdig aan de gevels en zo dienden als zonwering. Iedere zomer werden de bomen geschoren: met een zwaard werden de uitgroeiende twijgjes er afgeslagen. Langs de stoepen was ook altijd een goot in de straat aangebracht om het boenwater en bij regen ook het straatwater op te vangen. Die goten leenden zich ook uitnemend om in te knikkeren. Iedere jongen had een stuiter en als hij kans zag in die goot de stuiter van een medespeler te raken kostte het die een knikker. Op de stoepen zag men soms meisjes bikkelen, een kinderspel dat men thans niet meer ziet, evenmin als tollen, hinkelen en hoepelen. Bij regen werd het water in de goot afgevoerd door de poorten, die zich tussen de verschillende huizen bevonden. Men was verplicht dit water te ontvangen en af te voeren. Veelal geschiedde dit door open goten, die uitmondden in sloten, die de erfscheiding vormden en weer uitliepen in de ringvaart. Deze scheidingssloten liepen gewoonlijk tot de achtergevel van de woning en dienden tevens om het afwaswater uit de keukens op te vangen. De Dorpsstraat werd schoon gehouden door een straatveger, voor Soetermeer was dat Jaap Wieriks en voor Zegwaart Rook de Bruin. Laatstgenoemde had tevens tot taak de as op te halen bij de mensen in de Dorpsstraat. Deze as werd verzameld in de gemeentelijke asschuur, die op de plaats stond van het zaaltje naast de huidige muziekschool. Beide gemeenten hadden ook elk een wegwerker om de buitenwegen te onderhouden. Die buitenwegen hadden in het midden een klinkerstraatje van twee voet breed, het 'paardenstraatje'. De wegwerker had tot taak de karresporen te onderhouden met grind en keislag en ontstane gaten op te vullen, want in perioden met veel regen ontstonden er plassen en moest je als voetganger wel tot in de berm uitwijken als er een paard en rijtuig voorbij kwam.
Bron: Zoetermeer zoals het was in het begin van deze eeuw
|