Soetermeer en Zegwaart - het tweelingdorpIn de Middeleeuwen leefden de inwoners van de dorpen Soetermeer en Zegwaart voornamelijk van het turfsteken. De bodem van Zoetermeer bestond in die tijd uit een metersdike veenlaag. Het veen bleek na uitdroging een uitstekende brandstof (turf). Honderden hetaren veenland verdwenen, waardoor binnenwateren ontstonden die een voortdurende bedreiging vormden voor de smalle veenstroken, waar de huizen stonden. Daar kwam nog eens bij, dat tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) op het bevel van de prins van Oranje in 1574 de Maasdijken werden overgestoken, waardoor het hele gebied tussen de Maas en de Rijn blank kwam te staan.In 1574 was Leiden bezet en de Prins van Oranje wilde de stad zo snel mogelijk bevrijden. Doordat de Staten van Holland niet genoeg materiaal en manschappen hadden voor zo'n bevrijdingsactie, kwam de prins met het idee om de polders rondom Leiden onder water te zetten. Op 3 augustus 1574 werden de eerste dijken doorgestoken en voerden de watergeuzen richting Soetermeer op platbodems. Hierdoor hadden de Spanjaarden zich op de Landscheiding (tegenwoordig autosnelweg A12) tussen Delfland en Rijnland verschanst. Na hevige gevechten werden de Spanjaarden verslagen en werd ook de Landscheiding doorgestoken. De watergeuzen vaarden hierna verder over de Soetermeerse Polder. Het volgende opstakel was de Voorweg in Soetermeer. Deze was echter ook door de Spanjaarden bezet en tevens te hoog om onder water te zetten. De Soetermeerder Wolfert Adriaanszoon wees de geuzen een sluiproute. De geuzen staken de Zegwaartseweg door, waar geen enkele Spanjaard te bekennen was. Nu konden de geuzen makkelijk richting Leiden en boden de Spanjaarden vrijwel geen weerstand. Op 3 oktober 1574 werd Leiden uiteindelijk bevrijdt van de Spanjaarden. Vele Soetermeerders waren niet blij met de opzet van de prins. Al het vruchtbare grond was door het water weggespoeld, waardoor mensen er jaren voor nodig hadden om het land enigszins droog te krijgen. Ook het van nature aanwezige Soetermeerse Meer zorgde voor wateroverlast. Door zijn omvang vormde het meer een bedreiging voor het omringende land. De oevers bestonden uit modderig veen, waarvan telkens stukken werden weggeslagen. In 1614 verleenden de Staten van Holland toestemming aan rijke heren uit Leiden om het meer droog te malen. In 1616 was het Soetermeerse Meer ingepoldert, de Soetermeerse Meerpolder was een feit geworden. Tijdens de zeventiende en achttiende eeuw volgden de droogmakerijen elkaar in hoog tempo op. De Driemanspolder viel in 1672 droog, daarna volgde de Binnenwegsepolder in 1701. In eerste instantie trachtte het dorp Zegwaart zelf de polder droog te malen. Bij gebrek aan financien werden de rechten overgedragen aan Rotterdam, die daarmee ook het eigendom van alle droogvallende landen in de wacht sleepte. Ruim een eeuw lang zou Rotterdam twee-derde van het Zegwaartse grondgebied bezitten. In 1759 stond de Buitenwegsepolder onder water en dit leverde geen enkele cent meer op. Droogmaking was dus van belang. In 1763 viel de polder droog en kreeg het de naam Palensteinsepolder. In 1770 werden de polders Buytenwegh en de Leyens van al hun water ontdaan. De kleigrond, die door de droogmakingen droogviel was geschikt voor veeteelt. Soetermeer profiteerde van deze economische vooruitgang in de zeventiende eeuw, ook wel de Gouden Eeuw genoemd. Het aantal inwoners steeg in die tijd zowel in Soetermeer als Zegwaart. Omstreeks 1514 had Soetermeer 290 inwoners met 335 inwoners voor Zegwaart. In 1632 was dit aantal doorgegroeit naar 1370 inwoners (met 214 huizen) voor Soetermeer in tegenstelling tot Zegwaart met 1590 inwoners (met 318 huizen). Door de economische bloei trokken steeds meer mensen naar de steden. Zij lieten mooie buitenplaatsen en herenboerderijen bouwen. Zeer geliefde locaties daarvoor waren de Voorweg en de Vlamingstraat. Honderd jaar later in 1732 daalde dit aantal sterk terug. Zo had Soetermeer 820 inwoners (met 164 huizen) en Zegwaart 1145 inwoners (met 229 huizen). Het dorp Zegwaart was in de achttiende eeuw minder welvarend dan Soetermeer. Dit was ondermeer te wijten aan bestuurlijke perikelen, branden en watersnoden. Het dorp was in de zeventiende eeuw verarmd en had te kampen met schulden. Zo hield men in de beginjaren van de achttiende eeuw loterijen om van de schulden af te komen. Echter gebeurde het pas in het laatste kwart van de achttiende eeuw dat Zegwaart enigszins opbloeide. Typerend voor de achttiende eeuw was met name de vriendjespolitiek. Bestuurlijke functies waren meestal in handen van een familie. De ambachtsheren van Soetermeer en Zegwaart hadden elk voor hun eigen dorp het recht van benoeming van bijna alle bestuurders en functionarissen. De belangrijkste persoon was de schout, die samen met twee ambachtsbewaarders het dagelijkse bestuur van een ambacht vormde. De schout vormde tezamen met zeven schepenen de rechtbank. Voor het opmaken van verkoop- en hypotheekakten kon men bij de schout en schepenen terecht. Doordat alles in feite door de schout werd overgelaten, kon corruptie niet uitblijven. De schout leefde onder andere van de boetes, die hij aan de inwoners uitdeelde. De ambachtsheren kregen het bestuur en de rechtspraak met betrekking tot overtredingen in hun ambachten 'te leen' van de Staten van Holland. In de Middeleeuwen was dit nog in handen van het graafschap Holland. Toentertijd was de graaf nog de baas. Hij gaf bepaalde rechten aan particulieren, toen al ambachtsheren genoemd, omdat hij niet zijn hele gebied kon overzien. De rechtspraak voor misdrijven lag overigens niet in handen van de ambachtsheer of de schouw en zijn schepenen, maar was in handen van de baljuw. De baljuw was dijkgraaf, waaronder ook rechter en bestuurder vielen. Eind achttiende eeuw stond Nederland in het teken van de strijd tussen de oranjegezinden, de patriotten en de nationalisten die een republiek wilden naar vrijheid van godsdienst streven. In 1787 dolven de patriotten het onderspit, doordat de koning van Pruisen ingreep. Ook in Soetermeer raakten de gemoederen verhit door de tegenstelling tussen de oranjegezinden en de patriotten. Het geloof speelde in deze periode een sterke rol. De oranjegezinden waren voornamelijk hervormden, in tegenstelling tot de patriotten, die meer een katholiek of een remonstrants geloof hadden. Op 22 september 1787 trok een oranje gezinde menigte naar het huis van de remonstrantse dominee Van den Bosch. De dominee hield zich twee dagen en twee nachten schuil, hierna vluchtte hij voor de woedende menigte, waar hij tijdens zijn vluchten in het water viel en verdronk. Het lijk van de dominee bleef vijf dagen op de stoep liggen en werd vervolgens door het water naar het kerkhof gesleept en zonder kist begraven. Met duizenden patriotten vluchtten de ze in 1787 het land uit en trokken naar wat tegenwoordig Belgie en Frankrijk is. In Frankrijk brak in 1789 de revolutie uit, waarna het land in oorlog raakte met zijn buurlanden. De Nederlandse patriotten vormden het Bataafse legioen onder leiding van een Franse brigade-generaal. Begin 1793 deed dit leger voor het eerst een poging Nederland binnen te vallen. In 1795 trokken de Fransen vanuit het zuiden ons land binnen en nam prins Willem V de wijk naar Engeland. De Bataafse republiek werd uitgeroepen en sloot een verdrag met Frankrijk, waardoor Nederland haar bondgenoot werd. Op 5 maart 1795 werd het oude bestuur van Soetermeer aan de kant gezet en werd er een nieuw bestuur aangesteld. Tussen het wachthuis en het ijzeren hek van de hervormde kerk in de Dorpsstraat werd een vrijheidsboom geplant. Dit ging gepaard met vreugdeschoten en gezang van Franse en Nederduitse vrijheidsliederen. In 1806 benoemde Napoleon zijn broer tot koning van Nederland. In 1810 moest hij van de troon af en werd Nederland ingelijfd bij Frankrijk. Onder invloed van Napoleon werd de rechtspraak afgeschaft en gecentraliseert. In 1813 werd Napoleon verslagen en kwam er een einde aan de Franse tijd. Willem I werd koning en zette het bestuur naar zijn eigen hand. De ambachtsheren kregen een deel van hun rechten terug. Ook deden de begrippen burgemeester, wethouders en raadsleden hun intrede. In 1848 vond er een grondwetswijziging plaats, waarin stond dat de burgemeester voortaan door de koning werd benoemd en de wethouders en raadsleden werden gekozen. De ambachtsheer bleef een belangrijke rol spelen binnen het lokale bestuur. Jacobus Bos trouwde met de dochter van de ambachtsheer, waardoor hij zichzelf kon voordragen als bugemeester. Toen zijn vrouw stierf erfde hij ook de rechten van ambachtsheer. Jacobus Bos kreeg het burgemeesterschap van 1827 tot 1851. Hierna volgden zijn zoon en later zijn kleinzoon hem op als burgemeester van zowel Soetermeer als Zegwaart. Na 1931 was er geen opvolger meer in de familie Bos voor het burgemeesterschap van Soetermeer en Zegwaart. In de tweede helft van de negentiende eeuw ging het goed met Soetermeer. De landbouw leverde veel geld op en in 1865 werd het laatste stukje poldergrond drooggemaakt. Drie jaar later werd er gebouwd aan de spoorlijn Den Haag-Utrecht. Het eerste stationnetje stond op de plaats van het huidige station Zoetermeer-Oost. De heren Van Well, Brinkers en Van der Hagen begonnen hun bedrijven in Zegwaart. Van Well begon in 1880 als kruidenier. Later bedacht hij het concept van de Spar, dat tegenwoordig een bedrijf is met vertakkingen door heel Europa. Brinkers begon een margarinefabriek, dat tot voor kort gevestigd was in Zoetermeer. Van der Hagen was de oprichter van Nutricia. In 1896 kocht hij twee percelen aan de Molenweg (tegenwoordig Stationsstraat) voor de bouw van een stoomzuivelfabriek. De familie Van der Hagen sloot een overeenkomst met een Duitse professor, die een methode had uitgevonden om fabrieksmatig uit koemelk zuigelingenmelk te vervaardigen. Een uitvinding dat met open armen werd ontvangen, omdat vijftien procent van de pasgeborenen in het eerste levensjaar stierven.
In Zegwaart woonden relatief minder kapitaalkrachtigen dan in Soetermeer. Dit feit was voor het gemeentebestuur van Soetermeer jarenlang het motief om niet te willen praten over vereniging van beide dorpen, ondanks dat er al descennia lang werd samengewerkt op diverse fronten. In de twintigste eeuw ontwikkelde het armere Zegwaart zich dankzij een handeldrijvende middenstand tot een van de welvarenste gemeenten in de regio. Na ruim 600 jaar als twee aparte dorpen te hebben bestaan, wordt rond 1850 een eerste poging gedaan om Soetermeer en Zegwaart samen te voegen. Het voornaamste motief is het verschil in belasting tussen de beide dorpen. De inwoners van Zegwaart willen een gelijke verdeling van de belasting. De Soetermeerse gemeenteraad is echter niet te overtuigen. Het plan voor de eenwording komt in 1920 weer ter discussie. Maar pas in 1931 voelen beide dorpen iets voor de samenvoeging tot één gemeente. Het onderwijs, het kerkelijk leven, de publieke diensten, de politie, de brandweer en de water- en elektriciteitsvoorziening werden in die tijd al samen georganiseerd. Ook was de welstand in de beide dorpen op den duur bijna gelijk geworden. Toch was niet iedereen vóór de eenwording. Zo werd gezegd dat het bestuur van Zegwaart te vooruitstrevend en dat van Soetermeer te behoudend was. Na een overtuigend rapport van burgermeester Middelberg werden de gemeenten Soetermeer en Zegwaart toch op 1 mei 1935 samengevoegd tot de gemeente Zoetermeer De gemeente Zoetermeer telde toentertijd 4.500 inwoners. Door de crisis in de jaren dertig daalden de prijzen van de producten tot ongekende diepten. In 1936 kwam er een opleving, vermoedelijk doordat de naderende oorlog de vraag naar producten deed toenemen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog schoten de prijzen omhoog. Ook Zoetermeerse boeren en handelaren waren gedwongen producten te leveren aan de bezetter. In de hongerwinter van 1944/1945 werd Zoetermeer overspoeld met mensen uit de omliggende steden, die op zoek waren naar voedsel. Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog was Zoetermeer een centrum van illegale activiteiten. Het plaatselijk verzet was zeer actief, doordat honderden Zoetermeerders naar Duitsland werden gevoerd voor de arbeidsinzet. Op de dag dat Nederland van de Duitsers werd bevrijd, overvielen de Duitsers de Zoetermeerse binnenlandse strijdkrachten, waarbij twee Zoetermeerders werden neergeschoten. Door de economische vooruitgang en de technologische ontwikkelingen na de Tweede Wereldoorlog veranderde er veel in Zoetermeer. Zo kwamen er machines voor in de landbouw, waarvan volledig gebruik gemaakt moest worden om de arbeiders niet kwijt te raken aan de industrie. De naoorlogse ruimteproblemen van de snel groeiende gemeente Den Haag, leidde ertoe dat de gemeente Zoetermeer in 1962 als groeikern werd aangewezen. In een hoog tempo verdwenen de akkers en verschenen er huizen. Anno 2007 telt de stad meer dan 118.000 inwoners. |
||||
Bron: Zoetermeer, jong of oud? Een terugblik op het verre en nabije verleden