Het ontstaan van het Noordelijk Plassengebied

Het Noordelijk Plassengebied ligt deels in de Palensteinse Polder en deels in de Zoetermeerse of Nieuwe Drooggemaakte Polder. Het gebied behoort tot voormalige veengronden, de Wilde Venen, een drassig gebied met meren, riviertjes, moerassen en kreupelhout. Vanaf ongeveer het jaar 1000 trok men vanaf de kust en de rivieren het veengebied in om daar nieuwe nederzettingen te stichten. De eerste bewoners van Zoetermeer vestigden zich langs de oevers van de Noord-Aasche Vliet en het Soetermeersche Meer (nu de Zoetermeersche Meerpolder). Om het drassige land te kunnen gebruiken als akkerland moest het worden ontwaterd. Men groef sloten om het water af te voeren naar natuurlijke stromen. Om instromend water tegen te houden werden dijken of kaden als waterkering aangelegd. In de veertiende en vijftiende eeuw werd er op steeds grotere schaal turf gestoken. Later werd er zelfs tot onder de waterspiegel ontveend om te kunnen voldoen aan de vraag naar turf voor de laken- en bierindustrie in de omliggende steden. Dit had tot gevolg dat het gebied van Soetermeer en Zegwaart rond 1650 één en al water was, waar enkele evenwijdig lopende ribben land, dijken en wegen bovenuit staken. De grote watervlakten vormden steeds meer een bedreiging voor het resterende droge land, zodat besloten werd tot inpoldering. De Zoetermeerse Meerpolder werd als eerste in een lange reeks drooggemalen. Daarna volgden onder andere de Driemanspolder, de Binnenwegse Polder, de Palensteinse Polder en de Zoetermeerse of Nieuwe Drooggemaakte Polder. Het verschil tussen de Zoetermeerse Meerpolder en de andere polders is, dat de Zoetermeerse Meerpolder een natuurlijk meer was dat is drooggemalen, terwijl de andere polders drooggemalen zijn, nadat zij door ontvening ondergelopen waren.

De Palensteinse Polder

In 1759 werd toestemming verleend om het gebied tussen de Leidsewallenwetering en de Zegwaartseweg en tussen het dorp en de Slootweg droog te malen. Het gebied werd naar het huis van de ambachtsheer, het Huis te Palenstein aan de Dorpsstraat, genoemd en kreeg de naam Palensteinse Polder. Drie schepradmolens hielden de polder droog. Ze sloegen het water uit op de Elleboogse Wetering, totdat in 1924 de dieselmotor het werk overnam. Drie molens werden afgeknot, maar staan er nog steeds. Ook de molengang, bestaande uit de waterloop en de dijkjes naar de molens, is nog aanwezig. In 1965 werd het gemaal Palenstein gebouwd. Dit gemaal slaat nu het water uit de Palensteinse Polder uit op de Elleboogse Wetering. Langs de Slootweg loopt de Benthuizervaart op de grens van de Ggemeente Zoetermeer en de gemeente Rijnwoude. Aan het eind van de Benthuizervaart bevindt zich een voormalig verlaat, een kleine sluis die het niveauverschil tussen de vaart (N.A.P. -1,70 meter) en de Elleboogse Wetering (N.A.P. -0.60 meter) overbrugde. Het verlaat werd in 1963 opgeheven. Er was nog een verlaat, het Elleboogse verlaat, dat werd gebruikt door beurtschippers om van de Elleboogse Wetering in de Leidsewallenwetering te komen en omgekeerd. In 1957 werd het gesloten en afgebroken.

De Zoetermeerse of Nieuw Drooggemaakte Polder

Het gebied tussen de Voorweg, de Leidsewallenwetering en de Meerpolder werd van 1767 tot 1771 met behulp van vier molens drooggemalen. Het gebied kreeg de naam Zoetermeerse of Nieuw Drooggemaakte Polder. Later werd de naam veranderd in Nieuwe Polder. De vier molens werden in 1877 afgebroken en vervangen door een stoomgemaal, met de naam Nieuwe Polder. Het gemaal sloeg net als de vier molens het water uit op de Noord-Aasche Vliet. Het gemaal heeft tot 1990 dienst gedaan, zij het vanaf eind van de jaren zeventig als reserve. Een nieuw gemaal dat zich in een klein gebouwtje naast het oude gemaal bevindt, heeft de taak overgenomen. De oude in- en uitstroom en de dijk waar het gemaal tegenaan is gebouwd, zijn nog intact. Het gebouw van het stoomgemaal staat er nog steeds en is in 1991 op de gemeentelijke monumentenlijst geplaatst. De stoommachine is wel verdwenen en de schoorsteenpijp is afgebroken. De strook tussen Broekwegkade en de Leidschewallenwetering werd Het Lange Land genoemd. Het huidige wijkpark herinnert daar nog aan.

De Zoetermeerse Plas

Aan het begin van de jaren zeventig ontstond door zandwinning de Zoetermeerse Plas, een 50 hectare groot meer ten zuiden van 't Plasje. Het zand uit de plas werd gebruikt voor de aanleg van wegen in de destijd nieuwe stadswijken Buytenwegh, de Leyens en Seghwaert. Vanuit deze nieuwe plas werd een brede waterloop, de Broekwegwetering, als stedenbouwkundig element door de woonbebouwing van de de stadswijk De Leyens geleid, waardoor een aantrekkelijk woonmilieu is ontstaan. Aan de noordzijde van de plas ontstond spontaan een natuurbos, het Prielenbos, doordat de kleilaag boven de zandput werd afgegraven en ernaast werd opgespoten. In deze slikmassa ontkiemden moerasplanten en wilgen. Na verloop van tijd droogde de bodem in en ontstonden er diepe geulen, de prielen, waar het bos zijn naam aan dankt. Aan het eind van de jaren tachtig werd de Zoetermeerse Plas in oostelijke richting vergroot ten behoeve van waterberging en zandwinning. Oorspronkelijk waren er plannen om de Zoetermeerse Plas in westelijk richting in de Drooggemaakte Geer en Kleine Blankaartpolder uit te breiden om te voorzien in de extra waterberging, die nodig was. Deze plannen stuitten op verzet. Daarom is ervoor gekozen de Zoetermeerse Plas in oostelijke richting uit te breiden en kreeg de Zoetermeerse Plas zijn huidige vorm. Door deze uitbreiding van de Zoetermeerse Plas verdween een deel van de historische Leidsewallenwetering, die langs de plas liep en oorspronkelijk aansloot op de oude molengang. Vroeger werd water uit de Elleboogse Wetering ingelaten in de Leidsewallenwetering. De Leidsewallenwetering is nu abrupt afgebroken en stopt net voor de Behrenslijn in de stadswijk Noordhove. Tegenwoordig wordt door gemaal Lange Land water uit de Zoetermeerse Plas in de Leidsewallenwetering gepompt.

De Noordhovense- en Benthuizerplas

Zoetermeer breidde verder uit, waardoor meer waterberging nodig was. Uitbreiding van de Zoetermeerse Plas in oostelijke richting was niet voldoende. Bovendien werd in 1984 een convenant gesloten met Benthuizen, waarin vastgelegd werd dat Benthuizen niet aan Zoetermeer vast zou groeien. Er moest een natuurlijke buffer tussen de bebouwing van Benthuizen en de stadswijk Noordhove in Zoetermeer worden gerealiseerd. Ook intensieve recreatie werd in deze zone uitgesloten. Water werd gezien als de beste garantie om dat tegen te gaan. Het resultaat was de Noordhovenseplas en de Benthuizerplas. In het voorjaar van 2002 zijn de werkzaamheden aan beide plassen afgerond.

Bron: De feestelijke ingebruikname van de Noordhovense en Benthuizerplas