Kasteel Huis te Palenstein in de Dorpsstraat

In vroegere tijden stond er aan de Dorpsstraat een kasteel. In 1370 kreeg Willem van Egmond van zijn oudere broer Aernt de ambachten Zevenhuizen en Zegwaart in leen als erfdeel uit zijn vaders nalatenschap. Niet lang daarna liet hij in de Dorpsstraat van Zegwaart (tegenwoordig Zoetermeer) bij een waarschijnlijk al bestaande hofstede een versterkte woning bouwen. Als jongere telg uit het geslacht van de belangrijke heren van Egmond was hij aan zijn stand verplicht om in een huis van enig aanzien te wonen. In 1398 is in archieven sprake van dit kasteel, dat Palenstein werd genoemd. Ophogingslagen die bij archeologisch onderzoek werden aangetroffen wijzen op een datering tussen 1375 en 1405. In 1405 wordt Palenstein omschreven als een hofstede, met een singel en een boomgaard. Het omgrachte huis onderstreepte de sociale status van de bewoners maar was waarschijnlijk niet erg verdedigbaar. Ten oosten van het huis lag de boomgaard en ten westen de hofstede. De hofstede, het boerenbedrijf, voorzag de bewoners van het huis van voedsel en drank.

Willem van Egmond woonde op Palenstein met zijn vrouw Machteld van Hemert, hun zoons Jan en Aernt en hun dochter Otte. Willem van Egmond komt vóór 1423 te overlijden waarna zijn weduwe mogelijk tot haar dood in 1437 hier blijft wonen. Na het overlijden van Willem wordt zijn zoon Jan ambachtsheer van Zevenhuizen en Aernt van Zegwaart. Jan wordt in 1426 vermoord en na het overlijden van Aernt in 1445 wordt de dochter van Willem, Otte, ambachtsvrouw van Zegwaart tot haar overlijden in 1468. Het in 1645 gebouwde huis In 1437 erft de zoon van Jan, Willem II, het kasteeltje Palenstein van zijn grootmoeder Machteld van Hemert. Hij was waarschijnlijk de opdrachtgever voor de uitbreiding van het versterkte huis Palenstein. Hij trouwde met Johanna van Heemskerk met wie hij drie kinderen kreeg, twee dochters, Otte en Woudrina en een zoon, Wouter. Bij zijn overlijden in 1473 volgt zijn zoon, Wouter, hem op. Wouter trouwt in 1485 met de Josine van Schagen. In de nadagen van de Hoekse en Kabeljauwse twisten waren in huis Palenstein tussen 1488 en 1490 dertig dagen lang zes man gelegerd op bevel van de stad Leiden, die de stadhouder Jan van Egmond steunde bij de bevrijding van het bezette Rotterdam.

Aan het einde van de 15e eeuw komt het huis door huwelijk in handen van de familie van Zwieten. Aangezien de famile van Zwieten een groot huis aan het Rapenburg te Leiden bezat zal het huis Palenstein in die tijd verhuurd zijn geweest. Over de toestand van het huis en de hofstede in die tijd is niets bekend. In 1557 werd Palenstein omschreven als een huis, erf en boomgaard, dat verhuurd was geweest aan de schout van Zegwaart, twee cameren (kleine huisjes) een erfje en een quaat huystgen (ruïneuze resten van de versterkte woning) geneamt Palesteyn, eveneens gepacht door de schout. Agatha van Alkemade is dan ambachtsvrouw tot 1562.

Bij de onthoofding van de Graaf van Egmond in Brussel, wegens ontrouw aan Spanje, werden zijn goederen, waaronder het ambacht Zegwaart, verbeurd verklaard. Bij Zegwaart, welke de van Egmonds in achterleen hadden uitgegeven, hoorde Palensteyn: 't huys Palesteyn "twelck over lange jaeren vervallen es, mitten clingel, twee huyskens ende twee cameren opten cingel ende opten nederhoff staende". Timmeman Maerten Jansz hield nog een stuk grond in leen van de vrouwe van Palestein genaamd de Hoffboomgaart of Hoftuyn. Door geldnood werd één van de twee huizen op de nederhof in 1613 verkocht door de toenmalige eigenaar Jean de Bourgoigne. Het huis werd omschreven als het oude of kleine huis met hooiberg welk in 1597 nog werd bewoond door de schout. Bij het overlijden van Jean, in 1625, komt het goed aan zijn zoon Charles de Bourgoigne maar omdat deze de Spaanse koning trouw was gebleven werd het heheerd door zijn moeder Johanna van Gent tot haar overlijden in 1625 en vervolgens tot 1638 door Catharina van Gent om te voorkomen dat de staat het goed zou confisceren. Vanwege een enorme schuldenlast werd er door de regering toch beslag gelegd op het goed. Om uit de schulden te komen verkoopt Catharina van Gent de ambachtsheerlijkheid Zevenhuizen waarna in 1627 de boedel wordt vrijgegeven. In het belastingregister van 1628 wordt Palenstein omschreven als een huis en erf, schuur en plantage (boomgaard en/of moestuin). In 1643 Koopt Jacob Oem van Wijngaarden de ambachtsheerlijkheid Zegwaart met Palenstein en voor het eerst sinds de dertiende eeuw zijn de dorpen Zoetermeer en Zegwaart weer verenigd. In 1645 laat hij aan de westkant van het goed een nieuw huis bouwen, de oude versterkte woning met de singel moet toen een romantische ruïne zijn geweest.

In 1750 koopt koopman Joan Osy uit Rotterdam de rechten van Zegwaart en Palenstein wat in die tijd omschreven wordt als een groot boerenhuis met een rieten dak, de naam stond op de gevel vermeld. In 1751 laat hij twee linden voor het huis plaatsen. In 1781 komt er hoog bezoek op Palenstein, Joan Osy II ontvangt dan de Duitse keizer, die een rondreis door Holland maakte en in Zegwaart de drooggemaakte polders kwam bekijken. De zoon van Joan Osy II, Balduinis Osy, laat het huis Palenstein in 1791 afbreken, in plaats hiervan komt een "aanzienlyk gebouw, lang 90 en diep 30 voeten, agter welk gebouw men een schoonen thuin met allerlei aangenamen plantzoenen aangeleegen heeft". Architect van het buitenhuis was Jan Guidici, een uit Italië afkomstige bouwkundige.

Na 1830 wordt er nauwelijks nog gebruik gemaakt van het huis en verkoopt de familie Osy in 1832 grote hoeveelheden bouw en weiland in de Palensteinse polder. In 1887 verkoopt Iwan, baron Osy de Zegwaart Palenstein aan C.L.J. Bos, burgermeester van Zegwaart die het op 31 augustus 1887 voor afbraak laat veilen. Bij de koop waren ook een koetshuis en een stal begrepen. Beginnend boterhandelaar koopt een nog niet afgebroken gedeelte van de noordwestvleugel voor gebruik als pakhuis. De laatste vleugel van het Huis Palenstein werd in de loop der jaren geïntegreerd in de margarinefabriek van Brinkers, o.a. Wayang, Bak en braad en Leeuwezegel, die op het terrein verrees. De steen met de tekst 'T HUIS TE PALENSTEYN bleef zichtbaar in de fabrieksgevel, waarin hij na de afbraak van het huis geplaatst was. Bij de sloop van de fabriek in 1970 verdween ook het laatste vleugeltje Palenstein.

De leden van het Historisch Genootschap hebben eind 2002 de fundamenten van het kasteel in de Dorpsstraat blootgelegd. De opgravingen laten zien hoe men op het kasteel Huis te Palenstein leefde. De vele gevonden zaden duiden op mosterdrijke maaltijden en fruit als bramen en zoete/zure kersen en zelfs vijgen uit het Middellands zeegebied. Op de diverse verdiepingen in het kasteel wijzen de vele vondsten uit, dat in ieder vertrek een eigen toilet moet hebben gestaan. Op de begane grond was een zaal voor ontvangsten. Hier at men van aardewerk, gezien de opgravingen van borden uit het jaar 1400, waarop het wapen van Egmond sttaat afgebeeld.

Bron: Historisch Genootschap Oud Soetermeer
Foto's: Historisch Genootschap Oud Soetermeer