Historische gezichten - Dorpsstraat 46

Het hoekhuis op de kruising Dorpsstraat/Leidsewallen dateert hoogstwaarschijnlijk uit de achttiende eeuw, maar een precies jaartal is niet bekend. In 1702 woedde in de Dorpsstraat een forse brand. Een grutterij, een gebouw met veel bijgebouwen, brandde af en was gevestigd aan de Dorpsstraat nummer 36. De woningen aan de Dorpsstraat nummers 28 tot en met 40 gingen door deze brand eveneens verloren. Onduidelijk is of het pand aan de Dorpsstraat 46 er in 1702 al stond. Nooit hebben historici dat kunnen achterhalen. Wel behoort de Dorpsstraat 46 tot de oudste gemeentelijke monumenten. Het metselwerk in de voor- en zijgevel, bestaande uit een fijn gevormde rode steen met subtiel voegwerk, wijst op de achttiende eeuw. In de gevels komen klezoren voor, dat zijn baksteentjes van een kwart formaat, die in het hoekverband in het metselwerk gebruikt werden. Deze klezoren raakten in het begin van de negentiende eeuw in onbruik. In drie eeuwen is er veel veranderd, maar de hoofdstructuur, een hoog voorhuis van drie bouwlagen met een a-symmetrisch zadeldak en haaks daarop een tweelaags achterhuis met schilddak, is intact gebleven.

Enkelvoudige balklagen ondersteunen de verdiepingsvloeren. Aan de buitenzijde is aan de ijzeren muurankers in de gevels te zien waar de balken zich bevinden. Bijzonder is het gave sporendak die tot de restauratie, op een klein deel na, geen beschieting van dakplaten bezat. Tijdens de restauratie is vanwege het gebruiksgemak een beschieting aangebracht, maar het is op zodanige wijze gedaan dat de sporen in het zicht zijn gebleven. Bij een sporenkap wordt de dakbedekking gedragen door een reeks sporen. Een spoor is een vrij dun, rond of rechthoekig stuk hout, dat van de dakvoet tot de nok loopt. De sporen liggen tegenover elkaar. Dwars op de sporen liggen latten waarop de pannen rusten. Aanvankelijk werden de sporen niet verder ondersteund, maar vanaf het midden van de dertiende eeuw werden ondersteuningsconstructies ontwikkeld. De sporen kwamen te liggen op horizontaal draaghout in de lengterichting van de kap, de zogenaamde flieringen. Deze rustten op gebinten. Wanneer halverwege de kap een vloer op de flieringen en het gebint werd gelegd, ontstond de flieringzolder, later vliering genoemd. Bij de kap van Dorpsstraat 46 is dit allemaal goed te zien. Er is een kleine vliering halverwege de kap die bereikbaar is via een houten steektrap.

De restauratie is in het jaar 2000 met veel zorg voor het monument uitgevoerd. Nergens is iets zonder noodzaak vervangen, alleen als het uit bouwtechnisch oogpunt niet anders kon. De diverse wand- en plafonddelen werden gesloopt, zodat de gehele constructie zichtbaar werd. Van de kap werden de constructieve delen hersteld. Het dak werd gedekt met donkerblauwe verbeterde Hollandse dakpannen. De kozijnen werden hersteld en de ramen werden voorzien van isolatieglas. Het voegwerk werd gerepareerd. Aan de binnenzijde zijn de gevels voorzien van geïsoleerde voorzetwanden. De vroegere winkel op de begane grond kreeg een nieuwe indeling met een eigentijds karakter. De benedenverdieping heeft waarschijnlijk altijd al een winkelfunctie gehad. Van ondermeer een kruidenierszaak tot grossierderij, een drogisterij en toen de stadswijk Palenstein werd gebouwd een kadoshop en lijstenmakerij. Op de eerste, tweede en derde verdieping is een geheel vernieuwde woning gesitueerd, die voldoet aan de huidige eisen.

Bron: Historisch Genootschap Oud Soetermeer
Foto: Zoetermeer in Beeld