Zoetermeer - een dorp in oorlog1913 Was het jaar van een groot feest in Soetermeer. Honderden dorpelingen waren uitgedost in oranje en vierden het einde van de Franse overheersing, dat honderd jaar geleden had plaatsgevonden. De erepoort die nog was gebruikt na de bevrijding van de Fransen in 1813, werd van stal gehaald. Deze poort was, zo herinnert een oud-Zoetermeerder zich van de festiviteiten in 1913, geheel van hout en aan beide zijden waren beugeltjes aangebracht voor de vetpotjes, die wanneer ze 's avonds werden aangestoken door hun geflikker een fantastische aanblik gaven. Een vrolijk volksfeest was het, maar niet meer dan dat. Hoe anders ging het er aan toe na de Tweede Wereldoorlog, toen andermaal werd gevierd dat Nederland was bevrijd. Het feest was intenser, de wonden die de oorlog had geslagen dieper. Voor sommigen is de bevrijding nooit gekomen, gevangen in het oorlogstrauma. hebben zij de pijn nooit kunnen verwerken. Ook na 1795, bij de Franse invasie, stond de vrijheid onder druk. Wie weinig op had met het Franse regime en de terugkeer van de Oranjes bepleitte, kon maar beter oppassen. De bezetting verliep echter, althans in deze contreien, zonder bloedvergieten. Geen deportaties, geen gedwongen tewerkstelling. Een belangrijk verschil met de vijf Duitse bezettingsjaren was bovendien dat een grote groep Nederlanders in 1795 de bezetter verwelkomde. Het waren de patriotten die wilden afrekenen met de aanhangers van de Oranje familie. Direct na de Franse invasie namen zij de macht over. Tot schermutselingen kwam het nauwelijks. De Franse soldaten die Zoetermeer binnentrokken, werden gevolgd door muzikanten, meisjes met een mand vol witte duiven en een vrijheidsboom. Er werd gezongen, gedanst en gedronken. Het 'verzet' bleef beperkt tot uitingen in oranje kleur, het symbool van de verdreven Prins van Oranje.
Rond het jaar 1937 werd de dreiging voor een nieuwe oorlog voelbaar. Hitler-Duitsland annexeerde Elzas-Lotharingen en Oostenrijk en in 1939 moest ook het westen van Tsjechoslowakije het ontgelden. De spanningen liepen in de maanden daarna op. De Nederlandse troepen werden 28 augustus 1939 gemobiliseerd, ook de lichtingen uit de jaren 1929-1939. Vele Zoctermeerse mannen vertrokken per trein naar hun legeronderdeel. Ook werden 68 paarden en 25 vrachtauto's gevorderd. In het dorp werd een verlichtingsafdeling van de genie gelegerd en een ziekenstal voor paarden. Buiten wat oefeningen hadden deze troepen niet veel meer te doen dan wachten. De burgers kregen ook taken. De burgemeester stelde een uitgebreide Luchtbeschermingsdienst in, onderverdeeld in een waarschuwingsdienst, reddings-, transport- en opruimploegcn en de brandweer. Diverse plekken werden aangewezen als noodhospitaal, de gewonden konden worden aangevoerd door middel van een rijdende brancard, getrokken door een fiets. Toen echter Duitsland en later ook Rusland, Polen inviel, was daar het begin van de Tweede Wereldoorlog. De Tweede Wereldoorlog vaagde de herdenking van de Franse bezetting weg. Voor het eerst sinds 1813 zetten in 1940 vreemde soldaten voet op Nederlandse bodem. In de vroege ochtend van 10 mei 1940 werden de Zoetermeerders wakker van vliegtuigen die naar het westen vlogen. Even bestond nog de gedachte dat ze doorvlogen naar Engeland, maar vanaf vier uur werden bombardementen gehoord en zag men parachutisten boven vliegveld Ypenburg en Den Haag afdalen. De Duitsers leden onverwacht grote verliezen aan manschappen. Ook werden vele transportvliegtuigen vernietigd, onder meer op de rijksweg en in de Katwijkse Buurt. Op 14 mei 1940 konden de rookwolken van het Duitse bombardement op Rotterdam vanuit Zoetermeer worden gezien. Daags daarna was de bezetting een feit. Na enkele dagen trokken de eerste Duitse troepen Zoetermeer binnen. Ruim 400 man werd ingekwartierd bij particulieren. Verder ging in het eerste oorlogsjaar het leven gewoon door. De meesten legden zich neer bij de oppermacht van het Duitse leger en stelden zich in op een langdurige bezetting. Wel werd snel een aantal verenigingen verboden. De Witpen bijvoorbeeld mocht haar duiven niet meer vrij rond laten vliegen: ze zouden wel eens berichten kunnen overvliegen naar Engeland! Pure ontspanningsclubs als Pro Patria mochten hun activiteiten voortzetten. Ambtenaren moesten eind oktober 1940 verklaren dat ze geen Jood waren. Aan de rantsoenering van diverse goederen waren de inwoners al gewend: deze bestond al sinds de mobilisatie in 1939. Door de jaren heen breidde de distributie zich wel steeds meer uit, maar niemand leed honger tot september 1944. Langzamerhand werd het gevoel van onvrijheid groter. Regelmatig werden voertuigen gevorderd, zodat bedrijven knel kwamen te zitten in het vervoer van hun producten. Grondstoffen waren schaars, maar dit leidde ook weer tot inventiviteit en de ontwikkeling van nieuwe producten, zoals bij Nutricia en Brinkers. In Zoetermeer bestond zelfs de Hocus Pocus fabriek waar bijvoorbeeld Sinapasta werd gemaakt, een jam gebaseerd op gelatine. Door de concentratie van de productie in Duitsland en het wegtrekken van de mannen in uniform richting het front bestond daar een enorm tekort aan arbeidskrachten. In april 1943 werden alle voormalige Nederlandse soldaten opgeroepen om in Duitsland te gaan werken. Daarvóór waren al studenten opgepakt. Joden moesten al een jaar lang een gele ster dragen en waren zo zoetjes aan weggevoerd. Ook bleek het Duitse leger in Rusland en Afrika niet onoverwinnelijk. Alle gevoelens van ongenoegen leidden op de 29ste april tot stakingen, de bezetter antwoordde met arrestaties en executies. Honderden mannen uit Zoetermecr vertrokken gedwongen naar Duitsland in de zogeheten Arbeitseinsatz. De één werd goed behandeld, de ander kwam in een werkkamp terecht. Met brieven en pakketjes hield het thuisfront contact. In Zoetermeer zelf werd de bezetting steeds meer voelbaar. Eind 1942 werden alle scholen gevorderd om soldaten in te huisvesten, velen herstellend van de verschrikkingen aan het Russische oostfront. Bijna 1.000 scholieren moesten elders onderdak vinden. Daarbij kwamen ook nog de evacué(e)s die hun huizen moesten verlaten voor de bouw van een verdedigingsgordel langs de kust, de Atlantikwall. Vanaf maart 1944 liep dat op tot 344 mensen uit Den Helder tot Zeeland in een reeds stevig gevuld dorp met bijna 6.000 inwoners. Daarnaast doken vele Zoetermeerse mannen onder om niet naar Duitsland te hoeven. Voor hen moest wel voedsel worden geregeld. Dat deden leden van het verzet in samenwerking met de Distribunedienst.
In juni 1944 landden geallieerde legers in Normandië. Ruim drie maanden later volgden luchtlandingen bij Arnhem, waarbij de spoorwegen als steun in staking gingen. Voor de 3,5 miljoen inwoners in het westen was dat desastreus: de kolen uit Limburg, noch voedsel uit het oosten en noorden, konden worden aangevoerd. De distributiekantoren hadden weinig meer om te distribueren en eind december vroren ook nog eens de vaarwegen dicht. De hongerwinter was begonnen. Gaarkeukens wer- den ingericht, velen trokken vanuit de steden naar het platteland om voedsel te zoeken. Zoetermeer lag vaak op de route vanuit Den Hlaag. Bij het café van Toon van Fraassen werd elke dag erwtensoep uitgedeeld aan de langstrekkende voedselhalers. Leden van het verzet trachtten op allerlei manieren aan voedsel te komen, onder meer door voorraden van zwarthandelaren in beslag te nemen. Daarnaast stencilde een groep mensen illegale blaadjes en verspreidden deze, zoals de Anti Leugenpil. De verschillende groepen werden vanaf september 1944 ondergebracht in de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten, kortweg de BS. Begin 1945 zorgden zij ervoor dat het bevolkingsregister uit het gemeentehuis werd gehaald en verstopt. Immers, met deze registratie in de hand konden de Duitsers te gemakkelijk arbeidskrachten oproepen. In februari moesten de leden van het verzet zelf onderduiken, nadat een zwarthandelaar namen van mensen had doorgegeven die hem dwars hadden gezeten. Ze verborgen zich in een houten jachthuis aan de Rotte. Dat lag zeer afgelegen en omringd door het water, omdat de Duitsers grote stukken land onder water hadden gezet als verdediging tegen geallieerde legers. Behalve Nederlanders vonden daar ook één Amerikaan en een aantal Engelsen hun toevlucht, nadat hun vliegtuigen in de buurt waren neergestort. Het hoe en waarom is nog steeds niet duidelijk, maar de Duitsers kregen lucht van de groep in het jachthuis en op 29 april 1945 ontstond een vuurgevecht. Daarbij stierven veldwachter Jacob Leendert van Rij en de Amerikaan John McCormick. Tandarts Joop Kentgens, die commandant was van de BS Zoetermeer/Benthuizen werd zwaar gewond. Zij waren niet de enige slachtoffers van de oorlog. Diverse burgers kwamen om door aanvallen van geallieerde vliegtuigen, zowel in en bij Zoetermeer als in Duitsland. De hiervoor genoemde zwarthandelaar werd door verzetsleden geëxecuteerd. Zoetermeerders stierven niet aan de hongerdood, maar nijpend werd het wel. Eind april vonden de eerste voedseldroppings uit de lucht plaats en gaven in de steden weer hoop op overlevenden. Op vrijdag 4 mei 1945 werd de capitulatie van de Duitsers in Nederland ondertekend. De volgende dag trok de BS met 68 man trots naar de openbare school in de Dorpsstraat. Plotseling stormden Duitsers, die aan de overkant in de christelijke school waren gelegerd, het schoolplein op. Er ontstond paniek, sommigen trachtten te vluchten over de Buurtvaart, terwijl op hen werd geschoten. Jan Hoorn en Cornelis van Eerden lieten het leven. Het duurde tot 8 mei voordat de eerste Canadese troepen in Zoetermeer aankwamen. Ondertussen handhaafde de BS de orde. Zij pakten alle zogeheten 'gevaarlijke elementen' op, uiteindelijk 50 mannen en 15 vrouwen. Ze werden via Leiden naar interneringskampen gebracht en zaten soms jaren vast. Enkele vrouwen, die wat al te vriendelijk met Duitsers waren omgegaan, werden kaalgeschoren. Ondertussen richtte de aandacht zich steeds meer op de wederopbouw van het land. De voedseldistributie bleef nog tot 1951 bestaan, als laatste ging de koffie van de bon. Tijd om te rouwen en die vijf jaar te verwerken was er eigenlijk niet. Tewerkgestelden die uit Duitsland terugkeerden werden met de nek aangekeken, terwijl hun oorlogsbelevenissen vaak heftig waren. Familie van omgekomenen, van mensen die in interneringskampen zaten, van inwoners waarover werd geroddeld, geen van hen kon hun verhaal kwijt. Nederland richtte zich geheel op wederopbouw. Sommigen konden er pas vijftig jaar later over praten, anderen namen hun boze dromen, belevenissen, frustraties en onbegrepen handelen tijdens de oorlog mee het graf in. Zelfs het monument in het Wilhelminapark mocht op geen enkele wijze individueel leed uitbeelden en de eerste schetsen werden als te frivool geacht. In 1951 vond de onthulling plaats. Verzen uit Jozua 4:6 en 4:24 sieren de lichtgebogen wand van kalksteen. In 1998 volgde een steen voor de gevallenen tijdens de strijd in Nederlands-Indië tussen 1945 en 1950. Daar staan wel de namen van de betrokkenen op. De burgerslachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog kregen weinig of geen aandacht. De militaire gevallenen, de BS'ers Van Rij, Van Eerden en Hoorn en de Amerikaan McCormick, werden 31 oktober 1945 bij de Oude Kerk in een eregraf gelegd. De al eerder begraven geallieerde vliegers Maynard en West kregen aanvankelijk een herbegrafenis op een militair ereveld bij Luik en werden later op verzoek van hun families overgebracht naar de Verenigde Staten.
Maynard en West, en vooral McCormick, worden vaak in verhalen genoemd. Naar de laatste werd niet alleen een straat vernoemd, maar ook twee stichtingen en de Nicolaasscouting kregen zijn naam. Echter, over hun leven, de laatste vlucht over Nederland en het neerstorten bij Zoetermeer was weinig bekend. Louis van den Burg heeft jarenlang gespeurd naar meer informatie. De verrassende resultaten daarvan worden beschreven in het boek 'Missing in Action', neergestorte bommenwerpers in Zoetermeer en Zoeterwoude 1943-1945' . Het boek is verkrijgbaar bij de betere boekhandels.
Bron: Zoetermeer Magazine |