Uitbraak van cholera in de negentiende eeuwRijstwaterachtige ontlasting, overgeven, flinke dorst en koud aanvoelen. Wie deze symptonen had in de negentiende eeuw, was er hoogstwaarschijnlijk slecht aan toe. De diagnose werd gesteld op cholera. Tussen 1830 en 1870 teisterde een aantal epidimieen het Europese vasteland. De buurdorpen Soetermeer en Zegwaart werden zwaar getroffen. In Soetermeer stierven 37 van de duizend inwoners aan de gevreesde ziekte. In Zegwaart waren dat er 43 en het naburige Benthuizen spande de kroon met 56 doden op duizend inwoners. De dorpen stonden destijds in de top twaalf van zwaarstgetroffen gemeenten.In 1866 sloeg de cholera opnieuw genadeloos toe. Daatoe riep koning Willem III een commissie in het leven, die moest uitzoeken hoe de ziekte zich zo razendsnel over het land had kunnen verspreiden. Ook werd een speciaal cholerafonds opgericht ten behoeve van de zieken, waarvan onlangs nog een bedrag van 3000 gulden op de rekening werd teruggevonden in het gemeentearchief van Zoetermeer. Het geld werd gebruikt om de medische geschiedenis van de dorpen Soetermeer en Zegwaart in kaart te brengen met publicaties in het verenigingsblad van het Historisch Genootschap. Cholera, ook wel de Aziatische braakziekte genoemd, stak voor het eerst in 1830 de kop op in Europa. Vanuit Bengalen (het huidige Bangladesh), via Rusland, Frankrijk en Duitsland verspreidde de ziekte zich over Nederland. De geneeskunde was nauwelijks ontwikkeld. De artsen stonden voor een raadsel en zieken moesten het doen met allerminst heilzame adviezen. 'Men neemt een half pintje Fransche brandewyn, twee maatjes Genua oly, een ons broodsuiker, twee ons pepermuntwater, twee lood kaneel en een nootmuskaat' luidde het recept van de dokter in die dagen. Velen stierven dan ook aan de cholera en pas in 1876 werd de boosdoener van de ziekte ontdekt. Het was de bacterie Vibrio cholerae die velen een einde aan hun leven maakten. Wanneer deze bacterie zich eenmaal in het lichaam had genesteld, scheidde ze binnen enkele dagen giftige stoffen af die een ontsteking in de dunne darm veroorzaakten. De oorzaak was gevonden, onduidelijk bleef lange tijd hoe de ziekte zich zo snel kon verspreiden. Hoe kon het gebeuren dat vooral Soetermeer, Zegwaart en Benthuizen zo zwaar werden getroffen, veel zwaarder dan andere dorpen in de omgeving. Eerst werd gedacht aan de stank van afval. In die dagen was er van de gemeentereiniging geen sprake. Vuil hoopte zich makkelijk op in de straten. Nader onderzoek wees echter uit dat de bacterie zich niet door de lucht, maar via het water en dan vooral via verontreinigd water kon verspreiden. Dat maakte duidelijk hoe noodzakelijk schoon drinkwater is. Veel mensen dronken in die tijd uit de put of uit een sloot. De putten die in Soetermeer en Zegwaart werden gebruikt, waren niet gemetseld, maar bestonden uit opgestapelde stenen, waardoor verontreinigd water uit de bodem eenvoudig kon doordringen. Regenwater werd nauwelijks gebruikt. Bij de Nicolaaskerk in de Dorpsstraat stond een grote bak met regenwater, maar die was bij lange na niet genoeg voor de lokale bevolking. Bovendien stond bij veel Soetermeerders het toilet boven de vaart, waarnaast zich ook de wasplaats bevond. Hierdoor kon een bacterie zich gemakkelijk verspreiden door de dorpsgemeenschap. Hoe dichter de mensen op elkaar woonden, hoe groter de kans op besmetting was. Vandaar dat vooral de allerarmsten het hardst werden getroffen. Juist in de negentiende eeuw veranderde de medische wetenschap. Er werd meer nagedacht over hygiene en de heelkunde verfijnde zich. Ook de dorpen Soetermeer en Zegwaart kregen professionele artsen met een wetenschappelijke opleiding. In 1766 had zich al in Zoetermeer de eerste afgestudeerde dokter gevestigd, Petrus de Meester uit Delft. Voorheen waren de dorpelingen aangewezen op chirurgijns (een semi-apotheker) en kwakzalversmet zijn mysterieuze pillen en zalfjes. De officiele medische stand had nauwelijks betere alternatieven voor de zieken. Lange tijd meensen artsen een diagnose te kunnen stellen door een blik te werpen in de urine. Naast dit zogenoemde piskijken deden veel medici aan aderlaten. Men sneed de aderen van een zieke open in de overtuiging dat de patient beter zou worden door de vervuilde sappen uit het lichaam te laten stromen. Pas veel later in de negentiende eeuw kregen artsen door dat behalve het behandelen van ziekten ook veel meer moetst worden gekeken naar de omstandigheden waaronder die ziekten zich konden verspreiden. Onder meer de cholera-epidimieen maakten de noodzaak van hygiene duidelijk. Bron: Historisch Genootschap Oud Soetermeer, Haagsche Courant; editie Zoetermeer |