Brinkers margarinefabriek in ZoetermeerEen landarbeider in Zoetermeer vond zijn zestienjarige zoon, Bernardus Brinkers, ongeschikt voor het zware werk op de boerderij en raadde zijn zoon aan de handel in te gaan. Bernardus Brinkers vulde een hengselmand met daarin boter, kaas en eieren en ging hiermee langs de deuren. In 1878 kwam hij in Den Haag bij de mensen aan de deuren, waarbij hij dagelijks de modderige landweg van de Zoetermeerse Voorweg passeerde. In deze tijd was het erg moeilijk om een bestaan op te bouwen, zeker in Zoetermeer waar de zuivelboeren zich in hun bestaan bedreigd voelden door de 'nagemaakte boter'. Zij maakten de kunstboter verdacht door te beweren dat die schadelijk was voor de volksgezondheid. Vanwege de verdachtmakingen werd natuurboter wettelijk beschermd, de fabrikage van de handel in de margarine werden belemmerd en in landen als Australie en Canada werd de fabrikage zelfs tientallen jaren verboden. Bernardus Brinkers bleef vertrouwen houden in de margarine.
In 1888 gaat de zesentwintigjarige Bernardus Brinkers, met zijn sterk ontwikkelde koopmansgeest, inkopen doen voor zijn collega's en besloot hij vanaf dat moment 'in het groot' te gaan handelen. Met dit besluit kocht hij een deel van het oude, in verval geraakte ridderhofstede 't Huis te Palensteyn en richtte dit in als pakhuis en verwerkingsruimte. Het andere gedeelte van de hofstede werd ingericht als zuivelfabriek.
De bereidingswijze van de margarine verbeterde in de loop der tijd aanmerkelijk. De kwaliteit van margarine verbeterde sterk. In vaten verpakt kwam de margarine als halffabrikaat van de fabrikant bij Brinkers aan. Daar werd het vermengd naar de wensen van de afnemers en in Keulse potten bij de afnemers bezorgd. De prijs van margarine daalde en de vraag steeg zodanig, dat Brinkers zijn grossierderij verder kon uitbouwen. De Eerste Wereldoorlog in 1914 veroorzaakte een grote schaarste in Nederland en daardoor werd de distributie ingevoerd. In vele huishoudens stond noodgedwongen margarine op tafel. Margarine was niet langer een produkt dat uitsluitend door de minder bedeelden gebruikt werd. De grote doorbraak van Bernardus Brinkers werd een feit. Voor Brinkers betekende de popularisering van margarine een verdere uitbreiding. De ruimten in 't Huis te Palensteyn werden te klein, waardoor er in 1915 in de naastgelegen zuivelfabriek werd ingetrokken. In 1918 werd de noodzakelijke uitbreiding een feit door het aankopen van 'Huize Akkerlust', het voormalige huis met opstallen van een burgemeester-landbouwer. Bernardus Brinkers richtte aanvankelijk de kelders van het huis voor zijn bedrijf in, maar al spoedig moesten ook de bijbehorende gebouwen worden aangepast om in gebruik te worden genomen. In 1927 was de firma Brinkers, ondanks dat er nog geen margarine werd geproduceert, de grootste margarinegrossier van Nederland. In hetzelfde jaar gaat het heel snel en goed met firma Brinkers en komt hij ongeschonden te voorschijn uit de margarine-oorlog, die zich afspeelde tussen twee margarine-giganten. Hij trekt lering uit die strijd en besluit om zelf margarine te gaan maken. In Nijmegen wordt een margarinefabriekje gesticht, echter wordt dit fabriekje al in 1931 vervangen door een grotere en modernere in Wijchen. De economische crisis in 1932 brengt het zogenaamde menggebod, een steunmaatregel voor de veehouderij. Door het enorme boteroverschot werden de margarinefabrikanten verplicht boter bij te mengen in de margarine. Ook werd het verplicht de margarine in kleinverpakking af te leveren. Er werden nieuwe machines voor kleinverpakkingen aangeschaft en kwam er zelfs een drukkerij voor de wikkels. Het menggebod schept een grote behoefte aan verse roomboter en daarom besluit Brinkers de zuivelfabriek Zelandia over te nemen, die gevestigd was op het terrein van 't Huis te Palensteyn. Tewille van de kwaliteit van het product, wilde men ook de kwaliteit van de grondstoffen in eigen handen hebben. Zodoende verrees in Wijchen naast de margarinefabriek een moderne olieraffinaderij. Naast de margarine werd er ook slaolie en verschillende soorten spijsvetten gefabriceert zoals bak- en braadvet en bakkersvet. Op 25 mei 1937 overleed Bernardus Brinkers; twee maanden ervoor kwam zijn zoon Cornelis H. Brinkers bij een ongeval om het leven. Na 1937 kwam het bedrijf in handen van Hubertus C. Brinkers met de assistentie van Gerardus C. Brinkers. Het bedrijf groeide verder en daarbij werd de mechanisatie verbetert en werden produkten geperfectioneerd. In de Tweede Wereldoorlog werd de import van grondstoffen vrijwel onmogelijk en daarmee ook de produktie van margarine. Vrij snel werd de verbouw van vethoudende gewassen als koolzaad ter hand genomen. Van de daaruit gewonnen raapolie kon men op bescheiden schaal margarine en spijsolie maken. Na de Tweede Wereldoorlog draait het bedrijf weer volop. De vraag naar Brinkersprodukten neemt verder toe. In Zoetermeer wordt in 1950 de vroegere zuivelfabriek op het terrein van 't Huis te Palensteyn ingericht voor het fabriceren van margarine en voor het raffineren van de hiervoor genodigde grondstoffen. Moderne Amerikaanse apparatuur stelt Brinkers in staat om daar binnen een half jaar op uiterst efficiente wijze margarine te produceren.
In 1953 viert Brinkers zijn 75-jarig bestaan en streefde men om steeds meer productieprocessen zelf te hand te nemen om in haar eigen behoefte te kunnen voorzien. Aangezien de wereld meer olie dan vetten leverde en voor de margarine meer vetten nodig waren dan olie, werd er nog in het jubileumjaar een omvangrijke hardingsinstallatie in bedrijf gesteld, waarmee olie in vetten kon worden omgezet.
Olie en vetten uit zaden halen was een nog niet vervulde wens. In 1955 deed zich de mogelijkheid voor om deze wens in vervulling te doen gaan. Een olieslagerij in Oudewater werd overgenomen. Uit het vruchtvlees van een kokosnoot werd in dit bedrijf kokosolie gewonnen dat geschikt was voor de bereiding van margarine. Op 16 oktober 1956 overleed de zoon van de grondlegger, Hubertus C. Brinkers. Hij had er vijftig jaar in hoge mate aan bijgedragen om het bedrijf te maken tot wat het toen was. Nu viel de leiding volledig op de schouders van Gerardus C. Brinkers. Ook nu ging de groei onverminderd door en maakte de onverwachte marktontwikkeling een versnelde uitbreiding noodzakelijk. Door ruimtegebrek komt het hardingsbedrijf in Zoetermeer in de knel en werd er uitgezien naar een nieuwe vestigingsplaats. Nieuwe mogelijkheden dienden zich aan in 1964 in het Botlekgebied in Rotterdam door een open verbinding naar zee. Olien en vetten, aangevoerd in tankschepen uit alle delen van de wereld, konden rechtstreeks overgeslagen worden in de eigen laadtanks. Het voor het hardingsproces benodigde waterstofgas kon via een pijpleiding binnenkomen, waarmee de aanvoer in hogedrukreservoirs langs de openbare weg kwam te vervallen. In 1978 werd Brinkers één van de grootste bedrijven op dit gebied in Europa. De plannen om Zoetermeer uit te breiden tot een satellietstad van Den Haag van met circa 100.000 inwoners namen vaste vormen aan. Het bedrijf midden in de oude Dorpsstraat paste niet in de plannen van de planalogen. Onteigening volgde. Er werden plannen gemaakt waarin werd bekeken wat en waar gefabriceert moest worden, dit omdat de onderneming voor een nieuwbouw stond en het beginsel meer dan ooit nageleefd moest worden. Na de bouw draaide zijn nieuwe margarinefabriek met zijn nieuwe raffinaderij op volle toeren, waarin de nieuwste snufjes werden toegepast. Men nam afscheid van 't Huis te Palensteyn, dat bij het 75-jarig jubileum nog een burcht van nijverheid, kloppend hart van industrieel leven werd genoemd.
In 1968 brak een geheel nieuw tijdperk voor Brinkers aan, dat nieuwe eisen stelde aan de onderneming en aan haar medewerkers. De vierde generatie Brinkers diende zich aan bij het bedrijf. Bernardus H.C. Brinkers deed opleidingen in Amerka, Denemarken en Noorwegen. Met de praktijkervaring opdoen in de Brinkersfabriek kwam naast de techniek van het bedrijf ook de interesse in het bedrijf tot uiting. Het is 1973 wanneer een enorme brand het grootste deel van de olieslagerij in Oudewater verwoestte. Meer dan 2000 ton kokosolie ging daarbij verloren. De vlammenzee duurde een week voordat ze geblust waren. Brinkers incasseerde deze tegenslag en liet de olieslagerij herbouwen. Na de nieuwbouw werd binnen drie maanden 70% van de oorspronkelijke produktie geleverd; binnen een jaar werd zelfs de oorspronkelijke produktie overtroffen.
In Wijchen, waar speciale bakkerijmargarines gefabriceerd werden, stond de ontwikkeling niet stil. Door de moderne marketing-methoden en technieken kon er naast de korstmargarine ook korstdegen geleverd worden. In 1975 kwam het idee om vanuit Belgie te gaan opereren en vandaar ook naar afzetmogelijkheden voor andere Brinkers produkten op de Belgische markt te zoeken. Er werd bij toeval zowel de beschikking verkregen over een verkoopapparaat als over produktiemogelijkheden in Belgie door aankoop van de bakkerijgrondstoffenfabriek Molco in Aartselaar. Brinkers kreeg daarmee vaste voet op de Belgische markt. Geheel in overeenstemming met de bedrijfspolitiek leverde Aartselaar een eigen produktenpakket: geleis, cremes, marsepein en garnering voor gebak en taart. Met dit voor Brinkers geheel nieuwe produktenpakket werd een tweedelig doel bereikt: toegankelijkheid tot de Belgische markt voor Nederlandse producten en Brinkers producten uit Belgie kwamen op de Nederlandse markt. |